Op stap met de broertjes Wydhooge door de jaren heen.

//breedte en hoogte plaatje //hier je tekst //url die geopend moet worden //target  

2003

2003 : Trektocht doorheen de Cerdagne.

Zondag 29 juni: heenreis.

We hebben ons een Euro-domino ticket aangeschaft (179 EUR) en kunnen hiermee in de periode van één maand 3 volle dagen reizen met de SNCF (het Franse spoor). Voeg daarbij nog de reserveringen voor de nachttrein en de TGV en je komt aan ongeveer 220 EUR.

Zondagavond om 17.22 u nemen we (Jean-Pierre, onze vriend Bertje en ik) de trein van Kortrijk naar Rijsel. Bij het uitstappen in Lille Flandres worden we onmiddellijk geconfronteerd met zwaar bewapende militairen die onze rugzak met argusogen in de gaten houden. Ook de CRS (Franse rijkswacht), de spoorwegpolitie en andere Security zijn nadrukkelijk aanwezig. Het spook van 11 september en de dreiging van terroristische aanslagen worden hier niet onderschat. Aangezien we twee uur moeten wachten op onze aansluiting naar Parijs gaan we buiten het station wat eten. Om 20 u nemen we de TGV naar Parijs. Voor ons komt een dame zitten die in een of andere Oosterse taal begint te zingen; we durven elkaar niet in de ogen kijken om niet in een lach uit te barsten. Omstreeks 22 u komen we in de ‘Gâre du Nord’ aan en met de metro sporen we naar de ‘Gâre d’Austerlitz’ waar we om 22.30 u vertrekken met de slaaptrein naar Ax-les-Thermes.

Maandag 30 juni: Ax-les-Thermes – Merens-les-Vals

Ax-les-Thermes ligt op 720 m hoogte op de samenloop van drie valleien: de Ariège, de Lauze en de Oriège en is de toegangspoort tot Spanje en Andorra.
Het dankt zijn naam aan de wel 80 warmwaterbronnen die in de gemeente ontspringen. Hoewel bekent sinds de middeleeuwen werd het pas een thermaal station vanaf de komst van de spoorweg, eind 19de eeuw.
Om 6.45 u stappen we uit de trein, wandelen naar het centrum en ontbijten.
Een inboorling zet ons op het juiste spoor.
We rieken nog redelijk goed want alle vliegen uit de omtrek komen op ons af. De jeepweg stijgt door het bos naar het gehucht Fournit (1100 m). Het bevat welgeteld 3 huizen. In Fournit vinden we de welbekende rood-wit-tekentjes van een GR-pad; het is de GR 107 of de ‘Sentier des Bonhommes’ die ons naar Mérens-les-Vals moet gidsen. Als de jeepweg overgaat in een smal pad zijn we bij ‘La porteille de Fournit’ (990m). We dalen steil af naar Orgeix (823 m) waarna een prachtig oud stenen brugje ons aan de overkant van de l'Oriège brengt. Een asfaltpad brengt ons in wijde kronkels naar de ‘Cabane du Resset de Bas (1288m). Onderweg denderen enkele trucks beladen met boomstammen voorbij en worden we getrakteerd op een stofbad. Bij de cabane nemen we een onverharde bosweg die ons in opeenvolgende haarspeldbochten steeds hoger voert. Het is gloeiend heet en er lijkt maar geen einde te komen aan ons pad. Eindelijk laten we het bos achter ons en zijn we op de Col de Joux’ (1702 m) . Middagpauze.
We eten wat brood met salami en trekken verder; we moeten nog zo’n 100 m bergop. Door de salami plakt onze tong letterlijk aan ons verhemelte, we zien scheel van de dorst. De afdaling is steil en lang en onderweg kunnen we meermaals de zweefvlucht van arenden bewonderen.
Eindelijk strompelen we uitgedroogd en met pijnlijke voeten ‘Mérens-d’en-Haut’ (1177 m) binnen.
We lessen uitvoerig onze dorst bij de openbare wasplaats Wat een inloopdagje moest zijn om te wennen aan de hoogte en aan het gewicht van de rugzak bleek een zware etappe waarbij we 1259 m stegen en 802 m zakten. Onze watervoorraad van 1 liter was duidelijk onvoldoende.
We melden ons bij de Gîte; de eigenares is een Vlaamse uit Genk, die hier in de jaren 60 neerstreek.
Na een lekkere douche en de was rusten we even waarna we het bergdorpje verkennen. Nabij de ruïne van een Romaanse kerk kopen we artisanale honing en confituur en ‘en passant’ plunderen we nog eventjes een kriekenboom. Een telefoontje naar de thuisbasis en om 8 u kunnen we aan tafel. Onze disgenoten zijn een 5-tal bejaarde Franse bergfanaten die elkaar uitvoerig proberen te overtroeven met hun ziekten en operaties. Een andere, grotere groep bestaat zowel uit oudere als uit jongere mensen op een georganiseerde trektocht. Een van de deelneemsters is doofstom en communiceert via gebarentaal.
Op het menu staat een lekker groentesoepje, konijn met pasta, sla en een ijsje naar keuze.

 

Dinsdag 01 juli: Mérens-les-Vals – Refuge de Bésines

Om 6.15 u zijn we al uit de veren en om 6.30 u kunnen we ontbijten. Om 7.30 u gaan we op pad langs de GR10. Door de steeds smaller wordende vallei van de ‘Nabre’ gaat het stevig, tussen de bomen en het struikgewas omhoog. Een raar geurtje is niet het gevolg van de uien die we gisteren kregen maar van een zwavelhoudende warmwaterbron langsheen het pad. Eenmaal boven de boomgrens wordt het wat gemakkelijker.
Voorbij de watervallen van Nabreil steken we het riviertje over en bereiken we de ‘Jasse de Présassé (1832 m), een plateau aan de samenloop van meerdere valleien.
Nu begint het serieuze werk, de hellingsgraad neemt fors toe en door en over rotsblokken stijgen we in het ravijn van de ‘Estagnas’.
Op 2056 m bereiken we het kleine charmante, opvallend groene ‘Lac d’Estagnas’.
Een van de Fransen komt ons tegemoet, hij heeft ergens zijn bril verloren. Als zijn bril eindelijk gevonden is kunnen we door al maar ruiger wordend terrein verder stijgen tot op de Porteille des Bésines’ (2333 m).
In het begin gaat het steil naar beneden
, vervolgens dalen we geleidelijk langsheen een beekje en tenslotte tussen de naaldbomen door. We lopen zelfs door een veld van orchideeën en bereiken de Refuge van Bésines   ( 2104 m). De refuge is een tamelijk recent gebouw waar 56 personen kunnen overnachten. Hij is neergezet in een fantastisch mooie omgeving met zicht op een meer. De bevoorrading gebeurt met een ezel, die bereidwillig poseert. Er is wel geen warm water zodat een kattenwasje moet volstaan. We hebben vandaag 1156 m geklommen en 229 m gezakt.
We zijn al uitgerust en hebben al ons middagmaal (brood met honing) genuttigd als de Franse trekkers binnenkomen, zij hebben er nog een extra beklimming aan toegevoegd. Ook een deeltje van de gemengde groep trekkers is van de partij, een bejaarde Amerikaan, Fred, heeft veel last van tendinitis in zijn elleboog en heeft als pijnstiller een reeks aspirines en andere pillen geslikt, waardoor hij veel maagpijn heeft en duizelig is. Eventjes overweegt de hut bewaker om hem per helikopter te laten evacueren. De jongere rest van hun trekkersgroep is ondertussen bezig met de beklimming van de ‘Puig d’Auriol’.Een grote groep jongeren komt eveneens bij de gîte aan, zij hebben tentjes mee en slaan die op in de omgeving. Ze zullen het niet gemakkelijk hebben want het begint flink af te koelen. Plots zien we één van de gidsen van de trekkersgroep met twee rugzakken aan omhoog komen, het doofstomme meisje heeft haar voet omgeslagen en komt slechts traag vooruit. Uren later, als iedereen al aan tafel zit komen ze binnen. Ook voor haar is de tocht hier ten einde.
Op het menu staat bouillonsoep met vermicelli, boeuf bourguignon met puree, kaas en flan (maar dat laatste laat ik over voor de liefhebbers).

Woensdag 2 juli: Gîte de Bésines – Refuge des Bouillouses

Vanaf de refuge moeten we eerst dalen tot aan een beek (2000 m) die we vervolgens stroomopwaarts volgen. In het begin klimmen we geleidelijk waarbij we regelmatig het rustig kabbelende beekje over moeten. Na een mooi plateau begint de klim in alle hevigheid. Het pad vervaagt en over rotsen en stenen, waarbij we tussendoor nog diverse sneeuwvelden moeten dwarsen, banen we ons een weg  naar de Coll de Coma d’Anyell (2470 m).
Eerst dalen we steil af door een groot sneeuwveld daarna wordt het gemakkelijk en komen we bij het reusachtige ‘Etang de Lanoux’ (2234 m). Tussen dit meer en het ‘Etang de Lanoset’ door komen we bij een splitsing van paden.
We vinden niet direct het pad dat ons aanbelangt, verspreiden ons en in een brede bocht doorkruisen we het dal. Bij een cabane bemerken we eindelijk de tekens en vatten we, in een rechte lijn, de klim aan van de ‘Portella de la Grava’ (2426 m).
De afdaling verloopt in het begin door de sneeuw en vervolgens steil over schistgesteente. Dit is niet zonder risico want schist brokkelt af is soms verraderlijk glad.
Bij het kleine meertje ‘l Estagnol’ is het ergste achter de rug.
Er grazen paarden en enkele vissers wagen hun kans. Nu volgt een lange, bijna horizontale wandeling door de vallei van de ‘Ruisseau de la Grave’. Van alle kanten komen riviertjes de ruisseau vervoegen die zich gaandeweg van een smal beekje transformeert tot een heuse rivier: de Têt. Een van de zijriviertjes is geblokkeerd door een sneeuwveld dat in het midden een diepe put vertoont. Na enig beraad dalen we door de sneeuw af naar de hoofdbeek. Een wijs besluit want het sneeuwveld is onderaan volledig uitgehold tot een heuse sneeuwbrug die zich wel 2 m boven het water bevindt. Aan de bruine vlekken te zien is een koe er waarschijnlijk doorgezakt.
Even verder bereiken we tussen grote rotsblokken door het kolossale stuwmeer van Bouillouses. Dit meer werd aangelegd om “Le petit train jaune” van elektriciteit te voorzien. Over een golvend parcours kris kras tussen de naaldbomen en de toeristen door lopen we ongeveer 3 km langs de rand van het meer tot aan de stuwdam.
Nabij de dam ligt de Refuge des Bouillouses’ (2005 m). Het is een oude refuge met 56 plaatsen; er zijn maar 2 douches en 2 toiletten. Een lekkere omelet Catalane kikkert ons op. Na de douche wassen we onze kleren en hangen ze achter de refuge te drogen. De meteo voorspelt regen voor de volgende dag; bij de opmaak van onze rugzak moet de regenkledij dus binnen handbereik worden opgeborgen.
Om 19.15 u kunnen we aan tafel, de groep trekkers van de vorige dag vervoegen ons. Fred, het doofstomme meisje en haar begeleidster zijn er niet meer bij. Een van de resterende deelnemers klaagt voortdurend van pijnlijke voeten, ook hij zal waarschijnlijk de pijp aan Maarten geven.
Het menu bestaat uit groentesoep, sla, poulet basque en pruimentaart. Als het eten zo lekker blijft zullen we verdikt in plaats van vermagerd thuis komen. Vandaag zijn we in het totaal 661 m geklommen en 570 m gedaald.

Donderdag 03 juli: Refuge des Bouillouses – Eyne

Om 6.30 u ontbijten we en om 7 u gaan we op pad. We dalen via de weg tot aan een brugje over de Têt en nemen een pad langs de bosrand tot aan ‘l Etang de Pradelles’ (2038 m). Vanaf hier begint de afdaling door het woud, nu eens geleidelijk dan weer eens steil over losse steenblokken.
We dwarsen een skipiste en komen op een kruispunt van boswegen bij ‘Jaça de les Cabres’ (1740 m). Door het ‘Forêt Communale de Bolquère’, voorbij het skistation ‘Pyrénées 2000’ en het vakantieoord ‘Superbolquères’ komen aan in ‘Bolquère’ (1620 m). Bolquère is gelegen in de Cerdagne, een merkwaardige hoogvlakte ingeklemd tussen de bergen rond Andorra en de zonnigste plek van Frankrijk.  
Voorbij het stationnetje van ‘Le petit train jaune’ komen we op de ‘Col de la Perche’ (1581 m), we verlaten de GR10 en schakelen over op de ‘Ronde de Cerdagne’. Prachtig onverhard bereiken we Eyne (1574 m) . Vandaag was een overgangsetappe, we stegen slechts 33 m maar zakten 464 m. De ‘Gîte Cal Paï' ligt boven in het dorp nabij de kerk. Het is een mooie gîte in een oud huis en we slapen op de 2de verdieping. Na een warme douche verkennen we het dorp, gaan we een salade eten en bezoeken we een tentoonstelling over de Camino naar Compostella. Bij het museum hoort een tuin met inheemse wilde planten. De tuin kan echter niet tippen aan de dagdagelijkse werkelijkheid.
We eten om 8 h en krijgen een bonte groep gasten als gezelschap. Een koppel trekkers, een koppel Amerikaansen, een coiffeuse die duidelijk een glaasje te veel op heeft en haar echtgenoot en een krasse oudere heer met een heel wat jongere vriendin. De oudere man neemt nadrukkelijk het initiatief in het gesprek maar vooral om zichzelf op te hemelen. Hij is er bijzonder trots op dat hij vorige week de hand heeft mogen schudden van Giscard d’Estaing en heeft het niet zo begrijpen op de Amerikanen. Maar als hij verneemt dat één van hen ooit de ronde van Frankrijk reedt vraagt hij toch maar een handtekening, kwestie om er later mee te stoefen waarschijnlijk.
De maaltijd is weer al eens bijzonder lekker: na een slaschotel vergezeld van pastei met wilde paddestoelen volgt orloff met aardappelen in de schil en een groentenschotel om U tegen te zeggen. We sluiten af met een kaasassortiment, taart en koffie.

Vrijdag 04 juli: Eyne – Queralbs

We ontbijten om 7 u en genieten van de diverse homemade confituren. De dikke-nek-Fransman is ook al op; ik denk uit schrik dat we alle cakes zullen opeten. We hijsen onze zak op onze rug en dalen de berg af, om vervolgens het Natuurreservaat van Eyne in te trekken. De vallei van Eyne is bij botanisten al eeuwen bekend vanwege zijn grote verscheidenheid aan planten en werd natuurreservaat in 1993.
Ons pad stijgt geleidelijk en we krijgen volop de kans om de bloemenpracht rondom ons te bewonderen; vooral de lelie en de grote gentiaan zijn opvallend aanwezig.
Eenmaal boven de boomgrens lopen we even naast de bergrivier maar het eerste schoudertje doet ons naar adem happen. Het stijgingspercentage gaat fors de hoogte in, gelukkig volgt er een breder dal waar we wat op adem kunnen komen. De volgende schoudertjes zijn nog steiler en eindelijk belanden we in het laatste dal. Het zicht op de cirque is wondermooi. De laatste paar 100 m zijn dan weer bijzonder steil en in haarspeldbochten bereiken we de ruime ‘Col d’Eyne’ (2683 m).
Het is een brede col volledig bedekt met los schist   We zien niet onmiddellijk het pad naar beneden en lopen wat rond tot we enkele ‘mannetjes’(steenhopen die de weg aangeven) bemerken. Het begin van afdaling verloopt steil over los gesteente en gruis met naast ons de afgrond.
Het is dus opletten geblazen om niet rechtstreeks beneden aan te komen. Wanneer het schist plaats maakt voor de grashelling is het gevaarlijkste voorbij en houden we even halt, net op tijd om 4 gemzen gezwind de helling te zien afdalen. In een mum van tijd zijn ze beneden en uit het zicht. Ons pad is ook uit het zicht zodat we dwars op de helling voorzichtig verder afdalen. We geraken zonder kleerscheuren beneden bij de bergbeek, die we oversteken naar een pad.
Dit brengt ons naar Nuria (1967 m). Nuria is geen dorp maar een oud klooster dat omgevormd is tot toeristisch centrum. Het bevat een veel-sterren hotel, winkels, restaurants en bars en zo te zien bestaat het zomercliënteel uit bejaarde mensen die hier een luchtkuur komen volgen. In de winter is het een skioord. De jeugdherberg is volzet dus moeten we verder naar beneden. Hiervoor nemen we een ritje zonder weerga: het tandradspoor . In 20 minuten dalen we 747 m langsheen een duizelingwekkende kloof. De rit is adembenemend. In Queralbs (1220 m) vinden we slechts overnachting voor één nacht en alle andere overnachtingsmogelijkheden zijn volzet. Het is week-end en half Barcelona komt op bezoek. Er zit niets anders op dan onze plannen aan te passen. We overwegen de verschillende opties en besluiten om de GR11 verder te volgen Spanje in. We zien wel waar we zullen kunnen slapen .
Na de hoognodige douche nemen we een pastaschotel als middagmaal (15h) en verkennen nadien uitvoerig Queralbs . Het is een charmant bergdorp dat volledig gerestaureerd is. Smalle straatjes, huizen gebouwd uit rotsblokken en een Romaanse kerk.
We ontmoeten enkele Engelsen die hier hun trip beëindigen en kopen hun kaart van de streek. Dit geeft ons het nodige vertrouwen voor de volgende dag.
We zijn in Spanje dus is het avondeten pas om 21 u. Als voorgerecht krijgen we een omelet met champignons en aspergepunten maar de Catalaanse worst ziet er niet anders uit dan de boerenworst van bij ons. Als dessert krijgen we een zacht kaasje overgoten met honing. Tot nu toe ben ik wel vergeten te vertellen dat al deze maaltijden natuurlijk doorgespoeld worden met de nodige wijn.
Vandaag stegen we 1109 m en daalden we te voet weer 696 m af.

Zaterdag 05 juli: Queralbs – Planoles

Vermits we de afdaling door de kloof van Nuria voor geen geld willen missen nemen we om 8 u het tandradspoor naar boven. Het treintje zit overvol. Eenmaal boven beginnen we de afdaling.
Het pad is goed onderhouden en nu en dan is er een trapje om de grootste niveauverschillen te overbruggen. De ene waterval volgt op de andere en steeds krijgen we andere nog mooiere panorama’s. Het is fantastisch. Een horde toeristen komt ons tegemoet zodat we regelmatig moeten uitwijken.
Om 10.30 u staan we weer in Queralbs en kunnen we ontbijten. Om 11.10 u vertrekken we. Het begint goed: eerst vinden we niet de juiste weg, vervolgens willen gemeentearbeiders die een muurtje herstellen ons de verkeerde kant opsturen. Eigenlijk is dat best begrijpbaar want het juiste pad is niet zichtbaar doordat het dichtgegroeid is. Door het hoge kruid, met nu en dan netels en bramen gaat het steil omhoog. Het is gloeiend heet en het zweet stroomt van ons. Op een bijzonder steil stuk moeten we uitwijken voor wat VTT’-ers. Over smalle paadjes gaat het alsmaar hoger naar de Roc de les Orenetes (1700 m). Van hier loopt ons pad zonder te veel hoogteverschil naar ‘Font de l’Home Mort’ (1900 m). We steken de ‘Torrent d' Estremera’ over en door het woud komen we op de ‘Collet de les Barraques’ (1895 m). De weg naar beneden is pas geasfalteerd en we zijn blij als we weer het bos in mogen. Nu zijn we al 6 dagen onderweg, vanwaar 3 in het hooggebergte en dit over bergen losse stenen en grint, en dan ga ik wel onderuit zeker over een onnozel hoopje aarde. Het ergste is dat ik een slechte landing maak en mijn knie bezeer. De steile afdaling tussen de dennen en later tussen hoge bremstruiken is bijgevolg bijzonder pijnlijk. Op de camping ‘Can Fosses’ (1300 m) verhuren ze tot onze grote vreugde chalets . Je moet zeker niet mooi zijn om geluk te hebben. Onze houten chalet heeft alle comfort: ingerichte keuken, douche, toilet en twee slaapkamers.
Na de douche en de was rusten we wat. In de kantine kost een San Miguel (biertje) slechts 90 Eurocent, wat wil je nog meer. We stegen vandaag 675 m en daalden 1342 m.
Als avondeten bestellen we een slaatje en twee boccadillo’s (sandwich). De serveerster kijkt ons met grote ogen aan en maakt met gebaren duidelijk hoe groot de sandwiches wel zijn. We beperken ons wijselijk tot één boccadillo con chamon cerrano (sandwich met gedroogde hesp). Hij bestaat uit twee grote duimdikke sneden brood, ingewreven met tomaat en olijfolie, eentje is bedekt met sneetjes chamon. Meer moet dat niet zijn. De wijn is prima en smaakt naar meer.
Zondag 05 juli: Planoles –Puigcerda --- Puigcerda - Err

Te voet zou de etappe naar Puigcerda zeker 8 uren in beslag nemen en dit over meerdere cols van 2000 m en mijn knie doet pijn. We nemen dan maar de trein naar Puigcerda om vandaar te voet Frankrijk binnen te wandelen naar Eyne waar we vroeger op onze tocht al waren. De trein komt pas omstreeks 9.30 u en 2 uur later staan we in Puigcerda. Van Puigcerda lopen we naar de grens waar we eerst een boccadillo eten met kaas. Vervolgens gaat het naar Bourg-Madame waar we de GR36 oppikken. Een paadje tussen de bomen is heerlijk maar algauw lopen we in de volle zon over een asfaltweg tot Nahuja waar we eindelijk water vinden. Een halflitertje loopt zonder problemen naar binnen. Vanaf Nahuja wordt het parcours weer schaduwrijker tot het plots begint te druppelen. We zijn in ‘La Colomina’ en moeten nog een half uurtje verder. We versnellen en komen redelijk droog in Err aan. Err heeft een gîte en als de bui wat vermindert gaan we eens kijken of er plaats is. De gîte ligt natuurlijk op het hoogste punt van het dorp en er is gelukkig plaats. We installeren ons en de eigenares brengt ons een mandje plukverse kersen. Ondertussen is het beginnen te gieten, we beklagen de groep Hollandse trekkers die onderweg zijn. Als het optrekt verkennen we Err. De huizen zijn nagenoeg allen ommuurd en er zijn 2 kerken naast elkaar. In de plaatselijke bar drinken we wat roséewijn en vergapen we ons aan enkele dorpsbewoners die kaartspelen. Zij spreken een onbegrijpelijk taaltje, waarschijnlijk Catalaans en ook het kaartspel ziet er niet uit zoals bij ons. Terug in de gîte zijn de Nederlanders present. Zij zijn op 14daagse georganiseerde trektocht met een gids. Waar de ene groep stopt vertrekt er een andere en zo wordt in 2 maanden tijd de volledige Pyreneeënketen afgewerkt van de Middellandse zee tot aan de Atlantische oceaan. Een deelnemer is ingeschreven voor de ganse rit. Gelukkig voor ons zijn er 3 deelnemers die er de brui aan gaven zodat wij overnachting hebben. Een Hollandse met de rare naam ‘Nandan’ vraagt of we snurken. Iets wat we moeten beamen. “Nou, dan staat er buiten een bankje voor jullie”. Ook goedenavond. Aan tafel komt ze zich echter excuseren; vermoeidheid weet je wel. Als ze daarenboven over mijn bil begint te wrijven worden haar zonden ridderlijk vergeven.
We eten vanavond aardappelen met zoute vis en als dessert kriekentaart.

Maandag 06 juli: Err – Villefranche-de-Conflent (1ste deel van de terugreis)

Ons treinticket is eveneens geldig voor het toeristen treintje ‘Le train jaune’ zodat we daarmee onze terugreis aanvatten. Stel je voor, een klein geel treintje met 2 gesloten wagonnetjes en een open. We kiezen natuurlijk voor het open wagonnetje en starten de rit van ons leven. Een attractie zoals er in Bellewaerde niet te vinden is. Het eerste uur slingert ons treintje doorheen het landschap van de Cerdagne van links naar rechts, op en neer in de flank, soms over maar soms ook onder een heuvel. Het treintje stopt slechts op aanvraag. Na een uurtje zijn we in het stationnetje van Mont-Louis en daar begint het 2de deel van de rit: vanaf hier tot het eindstation is het voortdurend bergaf in het ravijn van de  Têt.
Onder luidop gefluit en gejoel volgt de ene tunnel op de ander. Meerdere keren steken we het ravijn over via een boogbrug en een keer over een hangbrug en steeds in de diepte zien we de rivier. Als je ooit in de buurt bent is deze rit een must. Na een uur zijn we in het eindstation: Villefranche-de-Conflent .
Dit stadje ligt op de samenloop van drie valleien en was van strategisch belang. Vauban hertekende de vestingen en liet hoog boven de stad het ‘Fort Liberia’ aanleggen. Later werd het fort met de stad verbonden door een onderaardse gang met 723 treden. Je begrijpt dat veel bezoekers het busje nemen tot boven. Wij zijn geen doorsnee toeristen en nemen de trap. Het fort bestaat uit drie lagen, nog eens goed voor een extra 100 treden.

(2de deel van de terugreis)

Na het bezoek van het fort en de stad is het tijd om de trein te nemen naar Perpignan. Daar mogen we twee uur wachten op de slaaptrein naar ‘Paris Gâre de Austerlitz’. De metro naar ‘Paris Gâre du Nord’ en we mogen nogmaals 2 uur wachten op de verbinding naar ‘Lille Europe’. De metro naar ‘Lille Flandres’ en we kunnen weer een uurtje wachten op de trein naar Kortrijk. Nog een klein ritje naar Ieper en we zijn thuis.