Op stap met de broertjes Wydhooge door de jaren heen.

//breedte en hoogte plaatje //hier je tekst //url die geopend moet worden //target  

 

2004

2004 : Trektocht door het Baskenland

Dit jaar opteren we (Jean-Pierre, onze vriend Bertje en ikzelf) voor een trektocht langsheen de GR10 in de Pyreneeën. Dit Grote Routepad verbindt de Atlantische oceaan met de Middellandse zee aan de Franse kant van de Pyreneeën.
In ons oorspronkelijk plan gingen we stappen van St.-Jean Pied-de-Port tot Arrens om vervolgens de trein terug te nemen vanuit Lourdes. In geval van minder goed weer zouden we op de Col de la Pierre St.-Martin overstappen naar Spanje om daar de GR11 (Spaanse tegenhanger van de GR10) te nemen terug naar St.Jean Pied de Port. Het werd tenslotte de laatste optie.

Woensdag 30 juni

We nemen om 6.12 u de trein van Kortrijk naar Rijsel waar om 7.59 u onze TGV vertrekt naar Bordeaux. Onderweg zijn er meerdere haltes en in het TGV-station bij het vliegveld “Charles de Gaulle” stapt er een Japanse op. Ze spreekt geen Frans en slechts een mondje vol Engels. Ze komt speciaal om de Camino naar Santiago de Compostella te wandelen. In Bordeaux moeten we overstappen, maar zij heeft geen reservatieticket. Hoe ze dat aan boord zal leggen zullen we niet te weten komen want om 13.09 u reizen we verder naar Bayonne waar we om 14.59 u aankomen.
Een boemeltreintje zet ons eindelijk om 16.00 u af in de oude ommuurde stad St.-Jean-Pied-de-Port (157 m). Het is één van de belangrijkste startpunten voor bedevaarders naar Compostella. De ganse stad leeft duidelijk van de pelgrims en de toeristen. Winkels met Baskische specialiteiten, restaurantjes, hotels, pensionnetjes en refuges, souvenirwinkeltjes, de poort van St.-Jacques , het bureau waar de pelgrim zijn pelgrimsboekje kan laten afstempelen. De St.-Jacobs-schelp (het symbool van de pelgrim) is alom tegenwoordig. We huren een kamer bij Marie Camino (wel een erg toepasselijke familienaam) en verblijven er op de derde verdieping. We installeren ons en verkennen de stad. Vauban is hier ook eens op bezoek geweest en heeft er zelfs een citadel achtergelaten. De ommuring van de stad is nog in zeer goede staat en de citadel herbergt het plaatselijke college. 

Donderdag 01 juli : St.-Jean-Pied-de-Port - Phagalcette
We ontbijten in de keuken bij de bijzonder praatzieke gastvrouw; hijsen vervolgens onze bepakking op onze rug en weg zijn we. Eventjes is het opletten geblazen want de GR65 (pelgrimsroute) loopt hier samen met onze GR10. Na een kilometertje asfalt trekken we het decor in richting Caro (246 m), waar een hondje beslist om ons te volgen. De Baskische huizen zijn overal gelijk: witgepleisterd met donkerrood houtwerk voor de dakrand, de luiken, het hekwerk van het balkon, en s vakwerk bij de bovenste verdieping. De meeste huizen dragen de naam van de familie die hem bouwde.
Een streepje bos, een modderige afdaling en de eerste steile klim leidt ons naar de boerderij Ahadoa (218 m). Juist op dit moment laat de boer zijn kudde schapen uit en de hond stuift hen luid blaffend tegemoet. De schapen vluchten in paniek naar alle kanten weg. De boer kan niet anders dan zijn auto te halen en hen achterna te rijden. We zien de schapen, de boer en de hond niet meer terug. We volgen een eind een jeepweg door een weide. De aanduidingen zijn bevestigd op palen, dragen het GR10 logo en zijn omwikkeld met pinnekensdraad of doorboord met spijkers zodat de alom tegenwoordige koeien of paarden hen niet als krabpaal zouden gebruiken. Over enkele weideafsluitingen vervolgen we onze weg bergop. We zien onze eerste gieren en weldra cirkelen er tientallen hoog boven ons. Over de Col d’Hendiage (587 m) dalen we af naar Estérençuby (231 m) Het is middag en we bestellen een sandwich met kaas. Voorbij het kerkje mogen we nogmaals 5 km bergop tot aan de Refuge ‘Kakoleto’ langs de weg naar Phagalcette, waar we gereserveerd hebben. De waardin ontvangt ons, wijst ons waar we kunnen douchen en slapen, zegt dat ze boodschappen gaat doen en dat wij de volgende trekkers maar moeten wegwijs maken. Ze komt uren later terug. Na een douche en de was leggen we een kaartje. Ondertussen is het flink beginnen te waaien en is de lucht overtrokken. Hopelijk blijft het droog.
Later op de avond komt er een trekker binnen die ons in zeer gebrekkig Frans aanspreekt. Het is een Hollander die alleen op stap is. Hij is zeer tevreden dat we Nederlands spreken want hij kent eigenlijk geen woord Frans. Nu moet je maar eens moederziel alleen op stap gaan in een vreemd land met een wandelgids die je niet kunt lezen. Hij is aangewezen op de aanduidingen en de kaart uit het gidsje. Geen wonder dat hij bij Ahadoa de weg is kwijt geraakt. Zijn uitspraak van St.- Jean-Pied-de-Port is werkelijk hilarisch. Zijn eerste les Frans is dus hoe je dat moet uitspreken en wat het betekent. Eerst maken we hem wijs dat het St.-Jan met de varkenspootjes is (wat hij driftig in zijn wandelverslag neerpent) maar vervolgens zeggen we hem dat het eigenlijk  St.-Jan aan de voet van de pas (de poort) naar Spanje moet zijn.
Deze avond eten we piperade met hesp, pasta met champignons, pepers en varkensvlees.
Nol Jansens (het is dus geen Hollander maar een Nollander) is zinnens om later over te schakelen op de HRP, want daarvan heeft hij wel de Nederlandstalige Gids bij.
De HRP is de Haute Route Pyrénéenne en is NIET aangeduid op het terrein. Het is de derde, en zwaartse, GR-route die de oceaan met de Middellandse ze verbindt en volgt zoveel mogelijk de kam. Onze vriend is al verkeerd gelopen als er tekens staan en als hij dan bovendien nog vermeldt dat hij problemen heeft tussen links en rechts raden we hem deze keuze dan ook duidelijk af.
Op onze kamer hangt er een eigenaardig geurtje om niet te zeggen dat het er stinkt. Ik vraag me zelfs af of er geen lijk onder mijn bed ligt. Blijkt dat de smeerlappen een verpakking van stinkerkaas onder mijn bed hebben gelegd.

Vrijdag 02 juli : Phagalcette – Chalets d’Iraty

We zijn om 06 u uit de veren. De waardin heeft ons ontbijt de avond voordien al klaargezet zodat we enkel de koffie moeten opwarmen en de broodjes roosteren. Om 7 u vertrekken we. Het gaat stevig bergop naar de Col de Phagalcette (585 m) waarna een piste ons verder laat stijgen tot de Col d’Ithuramburu (820 m). We volgen een piste bergaf tot aan een brugje waarna we steil bergop een smal pad volgen naar de Col d’Irau (1008 m). Vervolgens gaat het door de weiden naar de Col d’Occabé (1456 m). Ons pad wordt deze keer aangegeven met gebeitelde arduinblokken en dat is nodig want we lopen letterlijk in de wolken. Op de top van de Occabé bevindt zich de mooiste  verzameling Cromlech’s (prehistorische steencirkels) uit de Pyreneeën, zegt men maar door de mist hebben we er slechts enkele gezien. We zijn niet onder de indruk. Tussen de schapenkudden door beginnen we onze afdaling. We trekken het woud van Iraty in. Dit grensoverlappend beukenwoud beslaat 2300 ha in Frankrijk en 15000 ha in Spanje.
We komen uit op een asfaltwegje bij de Chalet Pedro (990 m) en mogen onmiddellijk weer bergop door het woud. Het pad is kompleet aan flarden gereden door de bosbouwers. Na een kleine afdaling tot een meertje horen we een luid gebrom achter ons waarna een bulldozer die 8 beuken voortrekt uit het bos te voorschijn komt. Krijg dat eens achter je tijdens een afdaling.
En weer gaat het bergop naar de Col Bagargiak (1327 m), waar zich in de Chalets d’Iraty onze gîte voor de nacht bevindt.

Zaterdag 02 juli : Chalets d’Iraty - Logibar

De avond voordien hebben we brood en Camembert gekocht zodat we vroeg kunnen ontbijten. Om 6.30 u vertrekken we. Het is 6°C. Geen probleem, na een korte afdaling kunnen we ons verwarmen aan de klim naar de Pic des Escaliers (1472 m). De andere kant van de pic is quasi loodrecht naar beneden maar een mooi breed pad voert ons in de flank naar de Col van Ugatzé (1145 m). De pas is bezaaid met schietstanden   voor de jacht op duiven; het is zeker niet aangeraden om hier tijdens het jachtseizoen voorbij te wandelen. We volgen de kam tot bij de cayolar (hut) Mendikotziague (980 m); vrij vertaald Mendi’s kotszakske. Eventjes lopen we horizontaal en we zien aan de overkant waarachtig onze Nollander die weeral eens verkeerd loopt. We fluiten om hem op zijn fout te wijzen en als hij weer de goede kant oploopt vervolgen we onze weg lichtjes stijgend naar 1017 m. Een afdaling tot 905 m en een steile klim tot 981 m en we lopen weer eventjes horizontaal. Beneden ons zien we de witte huisjes het dorp Larrau. De onvermijdelijke afdaling is de lastigste die we op onze trip zullen tegenkomen: steil bergaf over een met losse stenen bezaaid pad is geen lachertje. Met knikkende knieën bereiken we de gîte van Logibar (375 m). Enkele pintjes, de was, een douche en een broodje met paté later komt Nol aangelopen. Als hij zijn naam, Jansen, tegen de waard zegt schiet deze luid in een lach uit. Als dank om hem op het juiste spoor te zetten betaald Nol ons een pintje; alle Hollanders zijn zeker niet gelijk. Morgen gaat hij verder onze kant uit. ’s Avonds eten we een salade, een schapenkotelet met pasta en een Baskische taart naar keuze als afsluiter. Het krioelt wel van de vliegen maar we kunnen ze telkens tussen een hap door wegwuiven.

Zondag 03 juli : Logibar – Sainte-Engrâce

We besluiten om de niet gemarkeerde variante te volgen. Door de kloof van Holzarté gaat het geleidelijk bergop tot aan de hangbrug van Holzarté (580 m). De hangbrug overspant de loodrechte wanden en hangt zo’n 160 m boven de bodem van de Olhadubi-rivier. Eenmaal over de brug stijgen we door het bos verder tot een brugje over de prille Oldahubi (840 m) waarna we in de andere flank verder stijgen over een smal paadje tot op het plateau van Ardakhotchia (980 m). En nog zijn we niet boven; door de weiden bereiken we uiteindelijk de Cayolar van Saratzé (1205 m).
Een jeepweg loopt horizontaal tot een volgende cayolar waarna we door de weiden een laatste krachtinspanning mogen leveren tot op de Col d’Anhaou (1383 m). Een jeepweg kronkelt naar beneden, het is snikheet geworden. Gelukkig voor ons wisselen we de weg af voor een paadje in een geul. Er staat geen water in maar de schaduw is bijzonder welkom. Aan de parkeerplaats bij het ravijn van Kakouéta (700 m) bereiken we de asfaltweg. Een drankstandje kon niet beter geplaatst zijn. We moeten nog 3 km over het hete asfalt naar Sainte-Engrâce (630 m). Uitgeput en uitgedroogd bereiken we de gîte voor het oude Romaans kerkje (11de eeuws). Een douche, enkele biertjes en een broodje later kunnen we er weeral tegenaan.
In de gîte liggen er 5 matrassen ietsje boven de vloer en 5 op het niveau. We slapen natuurlijk op het niveau die we via een kippenladdertje moeten bereiken.
Om 8 uur kunnen we aan tafel; we worden geplaatst bij een Belgisch echtpaar uit Estaimbourg (nabij Pecq). Het avondmaal is bijzonder lekker en bestaat uit meloen met hesp gevolgd door schapenkotelet met linzen en afgesloten met taart en koffie.
De weersvoorspellingen zijn niet denderend en we besluiten om over te steken naar Spanje. We moeten daarvoor naar de Col de la Pierre St.-Martin waarna we hopen om in autostop het 30 km verder liggende Isaba te bereiken.
Bertje wil een rustdag inlassen en wordt door het echtpaar een lift aangeboden naar de Col. Wij plannen om deze weg te bereiken via de kloof van Ehujarré om vervolgens eveneens te liften.

Maandag 04 juli : Sainte-Engrâce – Isaba

We nemen afscheid van Nol, spreken met Bertje af en weg zijn we naar de kloof. Deze keer moeten we niet boven de wand lopen maar onderaan. Er staat geen water. Tussen de weelderige plantengroei door en kriskras de bedding dwarsend stijgen we geleidelijk. De luchtvochtigheid is bijzonder hoog en we zweten ons te pletter. Nu en dan wordt de hellingsgraad een tandje forser. Eenmaal boven zien we het eerste water dat echter snel het kalkgesteente in dringt. We volgen het beekje, komen op een jeepweg en tenslotte staan we, bij kilometerpaal 20, op de weg naar Isaba. Behalve wat koeien is er geen luis te zien. Dit wordt stappen; we moeten ongeveer 700 m zakken. Er komt welgeteld één auto voorbij maar aan een vroegere kazerne zien we een jeep langs de weg. We maken een praatje met de chauffeur (gelukkig spreekt hij wat Frans) en die zegt dat hij pas over een uur vertrekt. Hij legt wel uit waar we een bocht kunnen afsnijden. Wij wachten niet zo lang en aan de eerste haarspeldbocht klauteren we over de vangrail om door de varens onze weg naar beneden te zoeken. Als we in de vallei gekomen zijn en juist zinnens zijn om onze duim op te steken komt de bewuste jeep aangereden. Hij pikt ons op en als we vertellen dat we geboekt hebben in hotel ‘Lola’ blijkt dat bij zijn nicht te zijn. We worden dan ook aan de deur afgeleverd. Bertje is al present. We volgen het gebruikelijke ritueel: douche, wasje, pintje drinken, broodje eten, stadje verkennen.
Isaba is een mooi typisch Pyrenees dorpje met stevige huizen, smalle met keien belegde straatjes en gedomineerd door een oude kerk. Er is veel bouwactiviteit.
Een Spaanse bar is anders dan een Belgische bar. Om te beginnen staat er boven de toog een ellenlange rij (tientallen) flessen sterke drank; meestal kan je er eten krijgen; en men smijt alle afval op de grond. De vloer is dus bezaaid met sigarettenpeuken, papiertjes, olijfpitten, …
s’ Avonds eten ze hier pas vanaf 21 uur.
We vragen of we vroeg kunnen ontbijten maar 8.30 u is ons te laat. Men belooft om alles klaar te zetten zodat we ons plan kunnen trekken.

Dinsdag 05 juli : Isaba – Ochagavia

Inderdaad ’s morgens staat er yoghurt, fruit, brood en koffie op tafel. De broodjes zijn hard en de koffie is koud maar wie trekt zich daar wat van aan.
Over de Rio Esco nemen we het GR11-pad (de Spaanse tegenhanger van de GR10) naar de “Sanctuario de Odoya” (16de eeuwse kapel). Voorbij de kapel trekken we het bos in. Ons pad kronkelt langzaam maar zeker de berg op. Na een open plek is het gemakkelijke gedeelte jammer genoeg achter de rug. Rechtuit, rechtaan gaat het verder steil bergop tot op de Col (1365 m). Het vervolg is niet duidelijk zodat we het kompas moeten raadplegen. We moeten verder in westelijke richting en vinden na een tijdje een aanduiding; we zitten goed. We dalen naar de Col del Cabezo de Barangada (1330 m). Onze beschrijving komt niet langer overeen met het pad maar de tekens staan er, we moeten maar de jeepweg volgen.
Een ander GR-pad (GR-13) komt ons eventjes vervoegen tot Zopotrea (1300 m). Wij blijven op de jeepweg. We beginnen de afdaling en ontmoeten twee trekkers die de andere kant opgaan. We hebben nog maar net gezegd dat ze de zon voortdurend in hun ogen zullen hebben als de hemel dichttrekt.
Er is duidelijk een onweer op komst en het eerste gerommel laat niet op zich wachten. We zetten een tandje bij en samen met de eerste druppels wandelen we Ochagavia (781 m) binnen.
We nemen onze intrek in het hotel en na de bui wandelen we door het dorp. Er zijn hier geen bars te vinden dus zit er niets anders op dan te eten in het restaurant. Een voorgerecht van gemarineerde paprika’s gevolgd door een omelet met aardappelen. Het is 15 u.
Om de kosten te drukken gaan we inkopen doen. Een reuzenbrood, een pot paté, smeerkaas, chorizoworst en chocolade moeten volstaan tot morgen.
De volgende dag moeten we acht uren stappen maar de beschrijving van het eerste gedeelte waarschuwt voor modderige en glibberige passages. De regen indachtig besluiten we om een taxi te bellen om dat deel heelhuids te overbruggen.
We kijken nog wat TV op onze kamer.
‘s Nachts barst het onweer los en giet het de ganse tijd.

Woensdag 06 juli : Ochabavia – Mendilatz

We eten ons brood met chocolade en smeerkaas. Om 9 uur komt de taxi ons ophalen. We worden gedropt bij de Casas de Irati (860 m). We dalen af door het woud en ronden een stuwmeer. Eenmaal over de brug stijgen we via een smal paadje langs de Eperguy naar de Collado Morate (1060 m). Dat de passages glad kunnen zijn ondervindt Jean-Pierre aan den lijve. Buiten het woud blijven we op de zelfde hoogtelijn in de flank van de berg tot we een hut met een houten dak bereiken. De markeringen zijn zeldzaam en niet altijd duidelijk.
Voorbij de hut zullen we eten: brood met chorizo. We krijgen het gezelschap van een koe die ons brood bijzonder lekker vindt.
Op de Collado Orion (970 m) volgen we een asfaltweg om later af te takken op een aardeweg. We verlaten de GR en zakken verder af naar de Albergue Mendilatz , een spiksplinternieuwe refuge die het niet nodig acht om wegwijzers te zetten. De deur gaat maar open om 15 u zodat we wat kunnen zonnen op het terras. We slapen weeral eens op het hoogste verdiep.

Donderdag 07 juli : Mendilatz – St-Jean-Pied-de-Port

Ontbijt om 8.30 u. We moeten eerst een flinke portie stijgen om terug op ons pad te belanden, waarna we weer mogen dalen naar de ‘Fabrica de Orbaiceta’, een ruïne van een oude wapenfabriek (840 m)). Bij de fabriek horen een aantal huisjes rond een plein en een grote, nu in onbruik geraakte, kerk.
Naast de kerk leidt een jeepweg ons omhoog tot ‘Majada de Azpegi’ (1075 m), een groepje van 4 hutten. Een graspad brengt ons tenslotte op de Collado d’ Azpegi waar een andere verzameling Cromlechs (steencirkels) en dolmen (grafheuvels) te zien zijn, ze zijn nog minder indrukwekkend dan deze op de Col d’Occabé.
Wat verder staan we op de Col d’Arnostagy (1236 m), een grenscol. Aan de Spaanse kant is de col rijkelijk bebost maar aan de Franse kant is alles kaal. Overal zien we schapen. Op de top van Urculu zien we een ronde constructie, die niet op onze kaart terug te vinden is (terug thuis ontdek ik dat het de resten zijn van een Romeins monument ter herdenking van hun overwinning op de Basken 26-27 v.C.).
We volgen een asfaltweg tot op de Col de Bentarté (1337 m). Deze col is de grensovergang voor de GR65 naar Compostella en van ver is de drukte zichtbaar. Een stroom pelgrims loopt ons tegemoet; jong en oud, zwaar geladen of licht bepakt. Heel wat hebben een St.-Jacobsschelp op hun rugzak vastgemaakt. Allen hopen 900 km verder in Compostella te geraken maar 90% haakt onderweg af. We dalen ongeveer 3 uur af en zien onderweg nog een grote kolonie gieren (volgen zij de pelgrims in de hoop dat er eentje sneuvelt?).
Helemaal beneden wandelen we St.-Jean Pied-de-Port in. Het krioelt er deze keer van de toeristen. We kloppen aan bij Marie Camino maar alles is er bezet. Geen probleem, ze belt een vriendin die ons even later met haar wagen komt ophalen. Ze voert ons terug de helling op en we worden ondergebracht in villa Gochoki. Op ons verzoek zal ze zelfs het avondeten klaarmaken. Bertje gaat rusten maar wij dalen opnieuw af. Morgen stappen we nog naar St.-Etienne de Baïgorry dus  controleren we eventjes waar we op het traject kunnen aansluiten. In het station gaan we na wanneer we een trein kunnen pakken richting Bayonne. Volgens de beambte vormt de verbinding St.-Etienne de Baïgorry -- St.-Jean Pied-de-Port geen enkel probleem maar reservaties op een nachttrein vanuit Bayonne kan volgens hem enkel daar gebeuren.
Terug bij de villa zien we een klein rood 4x4 vrachtwagentje staan dat we deze morgen hoog bij de col ook al eens zagen. De eigenares legt uit dat haar man controleur is van de raszuiverheid van de plaatselijke schapen. Meerdere bekers en enkele reusachtige bellen getuigen van de prijzen die hij al verdiende.
Om 6.30 u gaan we aan tafel. De maaltijd is overheerlijk.
Omelet met groene paprika, rundstoofvlees met rijst, ijs met fruit. Koffie.

Vrijdag 08 juli : St-Jean-Pied-de-Port – St.-Etienne-de-Baigorry

Onze laatste stapdag. We stijgen langs een asfaltweg tot in Lasse (204 m) en volgen van daaruit een jeepweg zeer geleidelijk de bergflank op. Hoog boven ons bemerken we enkele wandelaars (een stipje groot) op de pic. Talrijke bochten verder gaan we over op een graspad tot op de col de Béharria (880 m). De asfaltweg is niet voor ons weggelegd want zeer steil moeten we nog door het gras naar de top van de Monhoa   (1021 m). Boven, bij een antenne, ontmoeten we heel wat trekkers die hier uitrusten en genieten van het panorama. Op de kam dalen we af naar de Col d’Urdanzia (869 m). Eventjes stijgen langs een asfaltweg en we takken af. Via een smal paadje komen we op de Col  d’ Aharza (734 m). Vanaf hier dalen we rustig af naar St.-Etienne de Baïgorry. Het is 14 u en de bus vertrekt pas om 17.15 u . Tot onze verbazing rijdt deze niet naar St.-Jean maar naar St.-Martin d’Arossa, een ander station op de lijn naar Bayonne.
In Arossa stappen we op de trein en om 17.45 u staan we in Bayonne. De slaaptrein vertrekt pas om 23.17 u; we reserveren eveneens voor de TGV naar Rijsel. Het begint warempel te regenen dus een wandelingetje in Bayonne mogen we vergeten. We eten bij een lokale Chinees en om 23.17 installeren we ons in de slaapwagon.
Met 20 min vertraging rijden we de volgende dag het station Paris Austerlitz binnen. Gelukkig hebben we 1.30 u de tijd om de TGV te nemen. Met de metro naar Paris Gare du Nord en met de TGV naar Lille Flandres. Een halfuurtje later zitten we al op de trein naar Kortrijk waar we onmiddellijk aansluiting hebben naar Ieper. Om 11.20 u zijn we thuis en we kunnen weer nadenken over de trip voor volgend jaar.