Op stap met de broertjes Wydhooge door de jaren heen.

//breedte en hoogte plaatje //hier je tekst //url die geopend moet worden //target  

2005

2005 : Trektocht  langsheen de katharenroute
Het prachtige Katharenland situeert zich tussen de Middellandse zee en de voet van de Pyreneeën in het departement Aude. Het landschap bestaat uit kalksteenrotsen, nauwe kloven, wijngaarden, uitgestrekte bossen en garriques Op strategische uitlopers van de Pyreneeën ligt een lint van imposante ruïnes van middeleeuwse kastelen. Zij waren een toevluchtsoord voor de Katharen. Tegen hen werd, door paus Innocentius III,  in de 1ste helft van de 13de eeuw tot een kruistocht opgeroepen. Met de hulp van de Franse koning ontaardde deze kruistocht tot een ordinaire bloederige veroveringsoorlog ten nadele van de hertog van Toulouse en zijn vazallen, allen leenheren van de koning van Navarra.
Wie waren de katharen?
De katharen waren een groep gelovigen die er, laat ons maar zeggen enkele sterk afwijkende ideeën op na hielden.
Om te beginnen waren mannen en vrouwen volkomen gelijk; zij konden beiden de status van "parfait" bereiken, prediken en voorgaan bij religieuze bijeenkomsten (iets wat in de katholieke kerk nog altijd volstrekt ondenkbaar is).
De “parfaits” (zowel mannen als vrouwen) leefden volgens strenge voorschriften, ze moesten huis en familie verlaten, geen seksuele betrekkingen hebben, geen voedsel eten dat uit seksuele betrekkingen voortkwam, (vreemd genoeg aten de katharen wel vis; men dacht toen dat die spontaan in het water groeide...) je mocht geen persoonlijke bezittingen hebben, je moest leven van handenarbeid (bedelen was verboden), je mocht geen mensen of dieren schade berokkenen.
Verder waren het aanhangers van de dualistische doctrine. Ze gingen er van uit dat er "twee principes" bestonden (twee scheppingen met een verschillende oorsprong: de goede geestelijke schepping en de slechte stoffelijke schepping).
Vermits ze ook nog eens de sacramenten afzwoeren (god kon nooit aanwezig zijn in iets stoffelijks) werden ze op initiatief van de paus uitgeroeid.
Het woord “katharen” werd later verbasterd tot het scheldwoord “ketter”.
Onze trip : 31 juni 2005
We vertrekken om 17.39 met de trein naar Kortrijk en stappen daar over op de trein naar Rijsel. Om 20.00  nemen we de trein naar Paris-Nord waar we met de metro Paris-Austerlitz moeten bereiken want daar wacht de slaaptrein naar Port-la-Nouvelle (startpunt).
De metrorit verloopt niet vlekkeloos: eerst nemen we een trap te vroeg naar een metro-uitgang en daarna is de rechtstreekse lijn (nr 5) naar station Austerlitz door werken buiten gebruik. Een studie van de kaart van het metronetwerk leert ons dat we eerst lijn 4 moeten nemen tot station Odeon en daar overstappen op lijn 10 met bestemming Austerlitz. Alle reizigers zijn gehaast en ééntje rijdt er met zijn valies over Jean-Pierres voet. Pijnlijk want hij draagt zijn sandalen. De tijd begint te dringen en als toppunt nemen we lijn 10 in de verkeerde richting. Om 22.10 zijn we eindelijk in Gare Austerlitz en onze trein vertrekt om 22.17; dit wordt lopen. Wanneer we onze reservatie laten afstempelen blijkt dat de trein 20 minuten vertraging heeft, iets wat later uitloopt tot 1 uur vertraging. Kan ons niet schelen we installeren ons en doen de oogjes dicht.
1 juli 2005: Port-la-Nouvelle – Durban-Corbières : 29 km
Om 8.00 stappen we het station van Port-la-Nouvelle (badplaats tussen Narbonne en Perpignan) uit. Er zijn geen aanduidingen te zien. Met de beschrijving in de hand zetten we de eerste stappen; het is bewolkt en winderig. Eenmaal over de spoorwegbrug vinden we een kanjer van een richtingsaanwijzer en een overdaad aan tekens. Deze zijn splinternieuw (blauwe en okerstreep), alle verkeerde wegmogelijkheden zijn doorstreept, beter kan niet. Over een keiweg stijgen we naar de kam die beheerst wordt door 15 windmolens. De Corbière is uitermate geschikt voor deze vorm van energiewinning. We zien onze eerste wijnvelden en een rij kinderen op MTB’s verstoort het eentonige getsjirp van ontelbare krekels. We dalen af naar ‘Roquefort-des-Corbières’ (51 m). In het plaatselijke café nuttigen we onze broodjes, die we van thuis meehebben, en een grote koffie. Terug op stap. De zon is te voorschijn gekomen en schijnt onverbiddelijk. Over een aardeweg stijgen we verder naar (250 m), een uitgestrekt garrigueplateau (droog met stekelig struikgewas), en vandaar naar de ‘Falaises de la Courtalisse’ (275 m). We zijn 23 km ver en achter ons is de zee nog altijd te zien.  Het is gloeiend heet geworden en er is helemaal geen schaduwplekje te vinden. We dalen steil af in de vallei en mogen onmiddellijk  terug omhoog naar de ‘Crête de Miraille-et-Balbonne (220 m). Durban-Corbières, het eindpunt van de etappe, is in zicht. Uitgeput en vooral uitgedroogd stappen we het dorpje binnen. Het is 16 uur.
Ons verblijf  (Chambre d’hôtes ‘Le Clos de des Rosalines’) ligt aan het andere uiteinde van het dorp, dicht bij het startpunt van de 2de etappe). In de douche krijgt Jean-Pierre de sproeier op de kleine teen van zijn reeds gehavende rechtervoetmet een fikse bult tot gevolg.
2 juli 2005: Durban-Corbières – Tuchan : 30 km
Om 8 uur zijn we opnieuw de baan op; de hemel is stralend blauw en er is een fris windje. Vanaf de eerste stappen wordt het stijgen geblazen. Na 2 km zijn we de weg kwijt; de wegaanduidingen zijn tegenstrijdig en we verkennen de diverse mogelijkheden. Uiteindelijk beseffen we dat de wegwijzer op een paaltje gedraaid is. Terug op het goede spoor. Steil bergop door het struikgewas stijgen we naar de top van de “Récaoufa” (376 m). De zweet stroomt van ons.
De top wordt bekroond door een toren met daar boven op het beeld van Sainte Raphine; nog nooit van gehoord. We dalen af naar een asfaltweg en moeten aan de andere kant weer omhoog in het ravijntje van de ‘Anglade’. Er staat geen water in. Na de ‘Col de Bent’ (275 m) zakken we naar het dorp ‘Embres-et-Castelmaure’ (185 m). Er is geen winkel en geen café.. We rusten even uit en vullen onze waterflessen bij de pomp. De ‘Col d’Isère’ (354 m) beklimmen we in de volle zon; en zweten maar. We stijgen nog eventjes door en genieten vervolgens van een prettige afdaling onder de bomen tot ‘Chateau Nouvelle’. Jean-Pierre krijgt last van zijn linkervoet. Om zijn kleine teen rechts te ontzien heeft hij waarschijnlijk zijn linkervoet wat overbelast. Het is nog zeker 6 km tot het einde dus lopen we door tot de grote weg om er te liften naar ‘Tuchan’. Links van ons zien we het kasteel van Aquilar . In een mum van tijd worden we opgepakt en afgezet voor de enige bar in het dorp. Een frisse pint doet wonderen. Tot onze schrik is de gîte nog 2 km verder en bergop. We slepen ons de bergop  om meer dan 2 km verder uitgeput en weeral uitgedroogd in de Gîte d’etape de Saint-Roch’ te belanden. Er hangt een briefje aan de deur: “Mr Wydhoogi, je suis parti, installer vous 2ième porte à gauche. Je suis de retour vers 18.30”. Een uitgebreid doucheke doet deugd en een halve liter cola nog meer. Van op het terras hebben we een schitterend zicht.
3 juli 2005: Tuchan – Duilhac-sous-Peyrepertuse : 25 km
Om 7.30 staan we vertrekkenklaar maar het ontbijt laat op zich wachten. “Sorry, ‘k heb me overslapen” (in ’t Frans).
We hebben geen zin om af te zakken naar Tuchan. Door een wijngaard bereiken we een weggetje (ons aangeduid door de vrouw van de gîte) en zonder problemen bereiken we het Katharenpad even voorbij Tuchan. Lichtjes stijgend lopen we op naar ‘Padern’ (195 m) , boven onze hoofden zweeft een arend. In Padern kopen we een fles fruitsap die we op ons gemak uitdrinken onder de platanen op het dorpsplein. Een mevrouw komt ons even goedendag zeggen en geeft ons wat extra moed: “het zal zeer lastig zijn en vooral zeer warm worden vandaag”. “Dank U”
Vanaf  Padern beginnen we langzaam te stijgen. De zon brandt. De brede jeepweg gaat over in een smal paadje naar de ruïne van een klooster (348 m). Vandaar stijgen we naar de ‘Roc de Mouillet’ (480 m) en verder naar de ‘Col du bois de l’Abiella’ (580 m). Een brede jeepweg voert ons, in volle zon, verder omhoog naar de parking van het kasteel van Quéribus (602 m). Het kasteel ligt nog wat hoger maar we zijn meer geïnteresseerd in het terras want we zijn doodop.
Quéribus was de laatste vesting van de Katharen en werd veroverd in1255. Zoals alle Kathaenkastelen werden ze nadien door de Franse koning verbouwd en ingeschakeld als grensverdediging tegen Navarra.
Op het terras maken we een praatje met enkele Franse toeristen; ze zijn vol bewondering voor het feit dat we Quéribus te voet aandoen. Enkele Belgen stellen voor om ons te voeren naar het eindpunt van de dag nadat ze Quéribus bezocht hebben. We besluiten niet te wachten op hun terugkeer en verlaten de parking langs de weg. Liften op de smalle, bochtige weg is onbegonnen werk dus stappen  we maar verder tot ‘Cucugnan’ (320 m). Hier plaatsen we ons in de schaduw en steken we onze duim op.
Het Franse koppel dat we gezien hadden op het terras boven stopt en voert ons naar Duilhac-sous-Peyrepertuse. (336 m). Hoog boven het dorp zien we het enorme kasteel van Peyrepertuse
De ‘Gîte d’etape Communal” bevindt zich boven het stadhuis. De deur staat open en er hangt een briefje voor Monsieur Gilbert: installeer je maar ik kom later eens kijken.
We douchen uitgebreid en willen wat uitrusten op ons bed als Jean-Pierre opeens roept dat er beesten in zijn bed zitten; het blijken wandluizen te zijn, een bloedzuigend insect. Hij verhuist zo ver mogelijk naar een ander bed.
Bij de verkenning van het dorp, er is een bakkerij, een winkel, enkele restaurants en een hotel. De thermometer wijst 34 °C aan in de schaduw (dit waren dus zeker 40 °C in volle zon en we  hebben de ganse dag geen schaduw gezien); geen wonder dat het vernis van de deur van de gîte verbrand ruikt. De telefooncabine is er eentje van bijzonder type; we kunnen namelijk onze belkaart niet gebruiken en een muntgleuf is er evenmin. Het is reeds de 2de dag dat we het thuisfront niet kunnen verwittigen.
’s Avonds eten we in het plaatselijke restaurant annex hotel en mogen er hun telefoon gebruiken de thermometer wijst nog amper 28 °C aan in de schaduw (21.30 h).
4 juli 2005: Duilhac-sous-Peyrepertuse – Prugnanes : 18 km
Om 7 u ’s morgens komt de toezichtster op bezoek. We betalen, brengen haar op de hoogte van het ongedierte in het bed en vertrekken. Wat een verschil bij gisteren. Het is zwaarbewolkt en er staat een koele wind, de zon komt af en toe eens te voorschijn. We stijgen over de asfaltweg naar de parking beneden het kasteel van Peyrepertuse (530 m). De parking is verlaten; de klim naar het kasteel laten we links liggen. Onze routeaanduiding wordt vervangen door tekens (rood-wit) van de GR-36. Asfalt gaat over in keiweg en we lopen verder in de heuvelflank boven het ravijn van de ‘Rec de Riben)’. Op een klein colletje (590 m) verlaten we het pad en via enkele weidepoortjes komen we op een prachtig pad dat zich tussen het struikgewas omhoog slingert naar de ‘Pla de Brézou’ (665 m). Een lange afdeling tussen de rotsen door brengt ons op de ‘Col de Corbasse’ (419 m) waar we aansluiting hebben met een asfaltweg richting ‘Gorges de Galamus’. Hier moeten we opletten want de geel-blauwe aanduidingen op de rotswand zijn van de ‘Tour des Fénouillèdes’ en niet van de Katharenroute. Het wordt koud en het begint warempel te druppelen. We stoppen om onze jas uit de rugzak op te diepen. We wandelen eventjes tot op de parking bij de gorges voor een zicht in de indrukwekkende kloof. In de ravijnwand bemerken we de ‘Ermitage Saint-Antoine de Galamus’ . De huisjes zijn enkel bereikbaar via een tunnel door de wand. We keren wat op onze stappen terug en volgen de GR 36 bergafwaarts tot aan de ‘Agly’ (290 m). Dat zo’n klein riviertje zo’n kloof kon uitslijten is een wonder. Iemand met een spuitbus in de hand komt ons tegemoet. Op regelmatige afstanden spuit hij een rood bolletje op de grond, verkeerde wegen worden van een kruis voorzien. Is er hier een wandeltocht misschien?
De zon is weer te voorschijn gekomen dus de jas gaat uit.
We stijgen opnieuw, eerst steil naar de ‘Col de Lenti’ (382  m) en dan nog hoger langs de zuidflank van de ‘Roc del Nissol’ (512 m). Opgelet!  De GR36 gaat nog verder omhoog en samen met hem de hoofdroute van de Sentier Cathare. Wij nemen de variante naar Prugnanes. Zoetjes aan dalen we door het bos naar Prugnanes (335 m), een onooglijk dorpje, geen winkel, geen café maar wel een gîte. De gîte d’étape Communal is in een burgerhuis en is zeer netjes, hier zeker geen beesten in het bed. We zijn juist op tijd in de living om Tom Boonen te zien winnen in de Tour. We reserveren onze volgende halte. Ze brengen ons op de hoogte dat ze niet voor het avondmaal kunnen zorgen en dat we onze plan moeten trekken. Geen probleem, morgen dwarsen we een “grote” stad. We wandelen nog even doorheen Prugnanes en het begint toch wel te regenen zeker. Terug in de gîte gaan de hemelsluizen helemaal open en het giet pijpenstelen.
5 juli 2005: Prugnanes – Aigues-Bonnes : 15 km
De zon is reeds volop aanwezig. Een lekker lopend pad, dat de hoogtelijn volgt, brengt ons naar ‘Caudies-de-Fénouillèdes (340 m). We slaan onze voorraad in: brood, Catalaanse bloedworst, pur porc en kaas. Er is hier geen bankkantoor , maar in Axat is er wel eentje; dat is beloofd. Een smal paadje brengt ons langsheen de kapel van ‘Notre-Dame de Laval (370 m) en vandaar naar de Gorges de Saint-Jaume’ . Via een pad dat is uitgehakt in de wand volgen we het riviertje stroomopwaarts; regelmatig brengt een bruggetje ons naar de andere kant. Bij de oude watermolen raken we het spoor bijster; de GR verlaat ons hier maar we zien geen andere tekens. De beschrijving wordt geraadpleegd en na enig zoeken vinden we het juiste pad. In de ‘Hamaeau de Bordes’ (510 m) hebben we weeral prijs. We volgen een ogenblik geel-blauwe tekens maar die lopen weer de verkeerde richting uit. We keren terug en zien een reuzenwegwijzer naar ‘Aigues Bonnes’. Hoe konden we dat over het hoofd zien? Derde keer goede keer en zelfs de oker-blauwe strepen zijn er terug.
Een jeepweg door het bos brengt ons naar ‘Aigues-Bonnes’ (632 m), het is welgeteld 2 huizen groot en eentje ervan is onze gîte. De uitbaters zijn tevreden van ons te zien want ze moeten weg. De gîte is eigenlijk een veeboerderij maar de runderen zitten hoog in een weide. Rondom de hoeve ligt een allegaartje van landbouwmateriaal en allerhande voertuigen gaande van een jeep tot een bulldozer. De rest van de dag zonnen we en verkennen we de omgeving. Om 20 h zijn de eigenaars terug met hun camionette op een takelwagen. Ze waren naar Spanje gereden om er een windmolen te kopen maar hun versnellingsbak raakte defect. De camionette wordt gestald bij de overige voertuigen, de boer zal het later wel eens herstellen.              De etappes voor de volgende dagen worden weer langer maar een studie ervan leert ons dat door te overnachten in Quirbajou in plaats van in Labeau  de etappe voor de volgende dag wel even lang blijft maar de daaropvolgende dag we zeker 5 km uitsparen. Doen dus.
6 juli 2005: Prugnanes – Quirbajou : 29 km
In Axat is er een bank en zijn de winkels dicht van 12 u tot 16 u; we vertrekken dus vroeg want het is 14 km tot Axat. We beginnen met zo’n 100 m bergop maar dan daalt de weg  langzaam naar Puilaurens . Het kasteel is reeds van ver zichtbaar. Onderweg vinden we een dood slangetje . In Puylaurens (460 m) volgen we de oude toegangsweg naar het kasteel tot aan de parking (600 m) maar dan blijven we min of meer op de hoogtelijn tot aan de ‘Col de Campérie’ (525 m). We volgen eventjes de toeristische spoorlijn en komen voorbij een halte (enkele paletten vormen het perron) in het midden van het bos. Omstreeks 10 u zijn we in Axat en kunnen we onze inkopen doen. We eten wat brood met kaas in het park en gaan vervolgens op zoek naar het bankkantoor. Brute pech, het kantoor is dicht en het bankautomaat is defect. Wat nu? In autostop heen en terug naar Quillan natuurlijk. De 2de wagen pikt ons op, ’t is een Belg uit Eupen. In sneltreinvaart gaat het naar Quillan (20 km verder). Nu nog een bankautomaat vinden. Er zijn heel wat banken , we hebben dus de keuze. Ik stop mijn kaart in het eerste  het beste automaat, maar ‘k heb wat tijd nodig om de Franse uitleg te begrijpen. Te veel tijd blijkbaar want mijn kaart wordt ingeslikt. Gelukkig is het kantoor nog open en na een uitgebreide identiteitscontrole krijg ik mijn kaart terug. Nu terug in stop naar Axat. Dat duurt wel eventjes. De eerste die stopt is wel de boer uit Aigues-Bonnes zeker. Het is enkel om goeien dag te zeggen want zijn bestelwagentje zit proppensvol. Een kwartier later zijn we toch onderweg. Na Axat hebben we nog 12 km te gaan en het begin is stevig bergop naar een colletje (547 m). In vals plat gaat het op en neer, eerst langs ‘La Prade’ (505 m), een dorpje dat voor de helft uit ruïnes bestaat, en vandaar naar ‘Cailla’ (520 m). Een Duitser is er bezig een huis te restaureren. In Marsa (492 m) slaan we af naar ‘Quirbajou’ (810 m), dit wordt een fikse klim. Alle bergdorpen die we voorbijkwamen hebben noch café noch winkel. De gîte  is nog nieuw en goedkoop op de koop toe; een pintje kost er maar 50 cent. We maken ‘linzen met worst’ klaar. Wat kan dat toch heerlijk zijn als je honger hebt.
7  juli 2005: Quirbajou – Puivert : 23 km
We ontbijten omstreeks 8 uur en krijgen elk 1 tasje koffie; maar het is er wel eentje van 0,5 l.  Eigenlijk is de etappe van vandaag 28 km lang maar door onze overnachting in  Quirbajou nijpen we er 5 km af. Niet mis.
We vertrekken zacht stijgend door het bos naar de ‘Col de la Dourne’ (1001 m). Onderweg duiken de rode stippen terug op om wat verder weer af te slaan. Het blijft maar stijgen, deze keer door een dennenbos tot op de ‘Col de Asse-Crabides’ (1145 m). We zijn 5 km ver.
Vanaf nu gaat het bergaf, eerst naar de ‘Col de Camelier’ (1072 m) en vervolgens naar ‘Coudons’ (860 m). In tegenstelling tot beweerd in de beschrijving is er hier wel een cafeetje. De oude bazin vertelt dat het, voor zover ze zich herinnert, het  de eerste keer is dat er hier mist hangt ’s morgens, dat er zoveel wind is en dat het de voorbije winter zo gesneeuwd heeft. Ze vraagt zich af of het klimaat aan het veranderen is.
In Coudons komt de variante uit Quillan ons vervoegen. Een bospad leidt ons steil naar benenden naar ‘La Fage’ (620 m).Voor ons ligt er een brede vallei met een lappendeken van kleine veldjes. Een kersenboom naast het pad kan je niet negeren. Het is snoepen geblazen.         In ‘Nebias’ (580 m) zijn we 15 km ver en is het juist middag, tijd voor onze boterhammetjes met smeerkaas. We lopen verder in de vallei en zien voor ons reeds het kasteel van Puivert liggen. Onze weg  versmalt tot een pad dat flink begint te stijgen naar het kasteel (600 m). Puivert (485 m) zelf is slechts 800 m verder.
De gîte is verlaten, we installeren ons en zonnen wat op het terras. Een uurtje later komt de eigenares er aan. Het is de eerste keer dat we op deze tocht niet gereserveerd hebben. Waarom zouden we, we waren altijd alleen in de gîtes. En jawel, Murphy slaat toe: alles is volzet. Ze belt naar een Chambre d’hotes: volzet. Op het ander adres is er niemand thuis. Ze belooft ons dat indien we geen overnachting vinden ze ons wel een tentje kan lenen. Het is nog vroeg, geen reden tot paniek. We gaan even het dorp verkennen en drinken een pint naast de overdekte markt.
Door het dorp stroomt een riviertje en de brug erover is een unicum: aan de buitenkant, 10 m boven het water, hangt er een openbaar toilet; op het gemak zitten zeggen ze daartegen.  Voor het stadhuis vragen we een mevrouw of er hier nog andere overnachtingsmogelijkheden zijn. Deze mevrouw werkt in het stadhuis en vraagt ons mee naar haar bureau. Daar belt ze een chambre d’hotes en bingo, we hebben onderdak. We keren terug naar de gîte om onze rugzak op te halen en zeggen er dat we onderdak hebben in de Chambre d’hotes “L’ Irénee” in ‘Les Arnoulets’. Ze schiet in een Franse colère want dat is nu precies de CH die volzet gaf. Ze belt er onmiddellijk naar toe en geeft flink van katoen; vervolgens voert ze ons naar het adres. Het was allemaal een misverstand. De vrouw van de CH is bijzonder vriendelijk  en belt alle volgende gîtes op; er is overal plaats zat. We hebben het halve huis tot onze beschikking maar ze kan geen avondmaal verzorgen.
We keren terug naar Puivert om er inkopen te doen. De winkelbediende heeft nog nooit van Belvis, ons volgende eindpunt gehoord maar volgens hem is er daar geen winkel en zeker geen café. Het restaurant opent pas om 19 h en het is vandaag Couscousavond. We vinden dat menu te duur en wandelen naar de camping want daar is er een ……”vette snack”. Bij nader toezien is de “be”” van “buvette” verdwenen.
De buvette is een klein gebouwtje en je moet er eten in een tent. Het is zelfs nog lekker ook.
8 juli 2005: Puivert – Belvis : 17 km
Het is koud en het regent. We zetten ons in regenoutfit, even een halte bij de bakker voor een groot brood en weg zijn we. Een pad loopt langs de camping en het meer naar ‘Camp Bonnaure (500 m). We verlaten de vallei en stijgen geleidelijk naar ‘l’ Escale’ (600 m). De rode stippen zijn weer tevoorschijn gekomen en plots horen we iemand “Attention” roepen. Het is een loper met een rugnummer, hij wordt gevolgd door een gans peloton. De rode stippen geven hun traject aan. Het stopt met regenen maar de zon houdt zich voorlopig nog schuil achter het wolkendek. Voor het dorp kiezen de rode stippen met de lopers een andere richting. Ons pad begint in brede lussen te stijgen. Op de kam (918 m) verlaten we het katharenpad, dat hier verder loopt naar Espézel. We zijn 9,5 km ver en de volgende 7,5 km moeten we lopen op de wegbeschrijving. Door een dennenbos komen we op een open plaats in het bos; het is de vroegere droppingzone van het verzet van Piccausel. In een hut is er een kleine tentoonstelling met foto’s en een container waarin de gedropte voorraden zaten.
De rode punten zijn er ook en we zullen ze de rest van de dag kunnen volgen. Bij het wrak van een wagen (1944 ?) slaan we een klein paadje in dat ons brengt naar een boshut (992 m). Vanaf hier volgen we een brede bosweg die weldra (1010 m) horizontaal loopt in de flank van de berg. Regelmatig krijgen we prachtige uitzichten op het Plateau van de Sault . Aan de ‘Barreng de Piccausel’ (put in het kalkgesteente van 96 m diep, dat toegang geeft tot een grottenstelsel) houden we even halt.
Aan een verzamelplaats van omgezaagde bomen verlaten we de weg en gaat het resoluut bergaf  richting gîte. “La Gineste’ (880 m). Belvis ligt een goeie km verder. We installeren ons en na een douche wandelen we naar het dorp. Er is hier wel degelijk een winkel en zelfs een bar. Hij wordt opengehouden door 2 Engelsen en op BBC zien we het verschrikkelijke nieuws over de aanslag in de metro van Londen. We telefoneren naar huis en wandelen naar onze gîte terug. We hebben er het gezelschap gekregen van 2 meisjes die van Foix naar Quillan wandelen. Ze hebben noch beschrijving noch kaart bij en zijn hier per toeval beland. De uitbaatster kopieert onze kaart en onze beschrijving voor hen. Het avondeten is meer dan uitgebreid.

Raid-Cathare: 8/9/10 juli 2005
1ste dag: Kasteel Puivert – Gorges du Rébenty – Chateau de Puilaurens = 47 km
2de dag: Caudiès-de-Fenouillède – Gorges de Galamus – Chateau de Peyrepertuse – Chateau Quiribus = 34 km
3de dag: Queribus – Chateau d’Aquilar – Plage de la Franqui = 42 km

9 juli 2005: Belvis – Comus : 25 km
De eerste 6 km volgen we nagenoeg vlak door de vallei. De brede weg gaat over in een smal paadje door lang, hoog gras. Op het einde van de vallei trekken we het bos in en beginnen we te stijgen. We halen een koppel in dat dezelfde richting uitgaat. Aan de ruïnes van de “Serre Sec d’en Bas’ (1114 m) moeten we door een poortje de weide in. Op de ‘Col de Languerail’ (1165 m)  is men bezig met gentiaanwortels uit te graven.
Deze worden gebruikt is een alcoholisch drankje (Suze) en in geneesmiddelen. We vervolgen steil bergop en krijgen een eerste glimp van Montségur op zijn pog (hoge kalkstenen rots). We verlaten de weiden, picknicken in het bos en stijgen dan verder naar de ‘Pas de l’Ours’ (1330 m) waar we een blik kunnen werpen in de ‘Gorges de Frau’. We dalen af naar de ‘Col de la Gargante’ en vervolgens naar de ‘Col du Boum’ (1320 m). beneden ons zien we ‘Comus’ (1170 m) liggen.
Comus is een klein bergdorp zonder voorzieningen. De gîte is gehuisvest in de vroegere schoolgebouwen. Op de speelplaats zijn de voorbereidingen voor de 14 juli-feesten in volle gang. Gelukkig zijn we hier dan niet meer want een bal populaire onder ons venster om 22h zien we eigenlijk niet zitten. ’s Avonds is het druk. We hebben het gezelschap gekregen van een Vlaming uit Eernegem (die de Sentier in 9 dagen hoopt te lopen), de 2 Fransen die we deze morgen inhaalden (zij volgen vanaf vandaag dezelfde route als wij), 2 Engelsen (zij lopen de GR107 of de ‘Sentier des Bonhommes’) en 6 Spanjaarden.
10 juli 2005: Comus – Montségur : 15 km
We vertrekken vroeg. Het heeft deze nacht flink geregend en de lucht is nog altijd zwaar bewolkt. We dalen af in de ‘Gorges de la Frau’ . Het pad is enkele meter breed, links en rechts torenen de rotswanden honderden meter boven ons uit. Na 1 km verlaten we de weg en vervolgen we via een paadje. Een bordje waarschuwt ons voor vallende rotsblokken. Het traject wordt nog indrukwekkender; om stil bij te worden. Na 5 km liggen de gorges achter ons, de eerste toeristen komen ons reeds tegemoet. Bij het gehucht ‘Pelail’ (605 m) wordt het even uitkijken want er staan meerdere wegaanduidingen. Onze weg gaat over in een smal, modderig pad dat vlug hoogte wint langs een beekje. Eenmaal over het beekje loopt het bijzonder steil rechtlijnig omhoog door het bos. Niet normaal en glibberig op de koop toe. Zonder kleerscheuren geraken we boven (1040 m) om de afdaling naar Montségur (920 m) aan te vatten. De gîte is bomvol, maar we krijgen wel het adres van een andere gîte “Al Pitchou Parfait”. Deze is nergens aangeduid en bevindt zich in een bijgebouwtje achter een huis. Het is net, klein en de uitbaatster is zeer vriendelijk. We eten wat, verkennen vervolgens het dorp en begeven ons op weg naar het kasteel. Het dorp, het kasteel en de volledige omgeving zijn beschermd landschap en terecht.
Montségur was lange jaren het geestelijk centrum van de katharen en gold als oninneembaar. Na een beleg van 10 maanden moesten de belegerden zich toch overgeven (maart 1244). Ze kregen de keuze tussen hun geloof  afzweren of de brandstapel. Meer dan 200 katharen kozen voor het laatste en worden , aan de voet van de citadel, levend verbrand.
Eerst stijgen we naar de parking, vandaar naar de plaats van de brandstapel (monument) en dan via een bijzonder steile, kronkelende trap naar het kasteel (1210 m).
Het kasteel is eigenlijk een leeg omhulsel. De gids legt uit dat de stenen ter plaatse gewonnen waren maar dat het hout (het binnenste van het kasteel was in hout opgetrokken) met mankracht de berg was opgesleurd. Terug in het dorp bezoeken we nog het museum van de site. We wensen Anita telefonisch een gelukkige verjaardag en doen onze inkopen voor de volgende dag.
11 juli 2005: Montségur – Roquefixade: 18 km
Om 8.30 h gaan we op weg. De zon schijnt à volonté. We stijgen opnieuw naar de parking beneden het kasteel en verdwijnen dan voor kilometers aan één stuk het bos in. We komen eventjes te voorschijn in ‘Montferrier’ (690 m) en een oude keiweg brengt ons vervolgens naar ‘Sau’ (870 m). Voorbij dit gehucht horen we reeds van ver de boomzagen snerpen. Een vrachtwagen beladen met stammen verspert onze weg en verder is het pad in flarden gereden. In het bos komt een bulldozer ons tegemoet. De volgende 3 km brengen we eveneens in het bos door. Aan het gehucht ‘Conté ‘ (580 m) steken we een drukke departementale weg over en mogen we weer bergop naar ‘Coulzonne’ (790 m). We hebben er reeds 15 km, voornamelijk door het bos, opzitten. Na Coulzonne komen we voorbij een monument voor gesneuvelde verzetsstrijders (1944) en zien we reeds de daken van Roquefixade (760 m).
Ook Roquefixade wordt beheerst door een kasteel op een hoge rots. Onze gîte van de dag ligt 1 km voorbij het dorp. Het was een kalme maar prachtige dag vandaag. We zonnen wat en gaan vervolgens nog eens terug om Roquefixade te verkennen.
12 juli 2005: Roquefixade – Foix : 17 km
We vertrekken via een paadje door het veld en vervoegen de weg naar ‘Leychert’ (630 m). In het dorp  vinden we de tekens terug. Deze zijn nog niet vernieuwd en het is regelmatig zoeken geblazen. We stijgen naar de kop van de vallei (780 m) en vervolgen onze weg in de andere  flank. Als het pad begint te dalen draaien we een bospaadje in om bruusk te stijgen naar 930 m. Ik heb ondertussen het gezelschap gekregen van een hond die voortdurend achter me aan loopt te hijgen. Wat ik ook zeg in het Frans hij blijft me onverstoorbaar volgen.  Een luide godver… in het Vlaams begrijpt hij blijkbaar wel, want weg is ie. Door een taxus bos dalen we af naar de (Col de Toyuron’ (851 m). We vervoegen er een brede bosweg die ons afzet op de ‘Col  de Porte Pa (795 m). Een groepje Vlamingen (ééntje draagt een T-shirt van ‘Omloop Kluisbergen’) komen ons tegemoet, ze zijn zopas gestart in Foix met de GR107. Op de kam krijgen we een panoramisch zicht op de vallei van de Ariège. De bewegwijzering is hier ronduit slecht en eventjes zijn we zelfs volledig het spoor bijster. We keren op onze stappen terug en inderdaad het symbool voor een wegverandering liet vermoeden dat we rechtsaf moesten maar in werkelijkheid was het linksaf. Langs de ruïne van een oude boerderij vatten we de afdaling aan naar Foix. Lang, steil, over keien en met veel losse stenen wordt dit de lastigste afdaling van de tocht. We komen in Foix (370 m) aan omstreeks 12 u en de trein naar Toulouse staat op ons te wachten. We hebben echter ruimschoots de tijd . We reserveren onze plaatsen voor de terugreis en trekken Foix in. Na 12 dagen buiten de bewoonde wereld ergeren we ons aan de uitlaatgassen. We moeten het verkeer weer gewoon worden. Op het plein spoelen we een sandwich door met enkele Lefkes waarna we terug slenteren naar het station. In de toiletten wassen en verkleden we ons en om 15.07 rolt de volgende trein naar Toulouse het station binnen.. Onze slaaptrein vertrekt pas om 22.20 zodat we in Toulouse tijd zat hebben. Het enige probleem is dat we onze rugzak moeten meesleuren want sinds 11 september kan je in geen enkel station nog bagagekastjes huren. Na een bezoek bij de meeneem chinees gaan we noodgedwongen terug naar het station. Iedereen staat buiten; blijkbaar was er bomalarm. Regelmatig worden de reizigers aangespoord om verdacht uitziende pakketten te melden, de bagage moet verplicht gelabeld zijn, politie en gewapende militairen zijn opvallend aanwezig. Om 21 u kunnen we de slaaptrein in. Om 6.28 ’s morgens zijn we in Paris-Austerlitz. Deze keer hebben we geen problemen  met de metro en om 7.28 vertrekken we reeds vanuit Paris-Nord naar Lille-Europe. Ook op de trein heerst er een angstpsychose want plots is er een  paniekerige oproep voor de onbekende passagier die zijn valies onbeheerd heeft achtergelaten in een wagon.   Van Lille-Europen naar Lille-Flandres is het maar een boogscheut en even later zitten we reeds op de trein naar Kortrijk. De kaartjesknipper herkent me en vraagt waar ik nu weer gaan wandelen ben. In Kortrijk hebben we onmiddellijk aansluiting naar Ieper en om 11.40 u staan we buiten het station; de trip zit er weeral op.