Op stap met de broertjes Wydhooge door de jaren heen.

//breedte en hoogte plaatje //hier je tekst //url die geopend moet worden //target  

2006

2006 : Trektocht in de Catalaanse Pyreneeën

Dit jaar willen een stukje proeven van de GR10 en GR11 in de Catalaanse Pyreneeën.. GR10 en GR11 zijn Grote Routepaden in de Pyreneeën die de Middellandse zee verbinden met de Atlantische oceaan.

Samen met Jean-Luc en de echtgenotes vliegen we vanuit Charleroi met Ryanair naar Carcassonne. Carcassonne is om te beginnen een prachtige ommuurde middeleeuwse stad (de Cité), ook de latere stad, de Bastide is het bezoeken waard. We verblijven er eerst 3 dagen gemeenschappelijk om  er de Cité te bezoeken, de aankomst van de Tour bij te wonen maar vooral om het fantastische vuurwerk van de 14 juli te aanschouwen.

De 15de juli knijpen we er onder uit. Jean-Luc en de echtgenotes vliegen later deze dag terug naar België.

15 juli

We ontbijten om 7.30 h  en vertrekken vervolgens naar het station. De Tourkaravaan is verdwenen, de  afvalberg moet nog opgeruimd worden. De trein van 8.06 h verlaat voor onze neus het station dus kunnen we een uurtje wachten. Met 10 minuten vertraging loopt de trein naar Perpignan eindelijk het station binnen. Omstreeks 10.45 staan we in Perpignan; onze vertraging is opgelopen tot 20 minuten. Volgens mijn gegevens moeten we om 11 h de bus naar ‘Le Boulou’ nemen. We overbruggen in sneltempo de 1 km naar het busstation en komen nipt op tijd aan. De chauffeur lacht zich een bult want de 1ste halte van de rit is …  het treinstation. We hebben 30 minuten om terug af te koelen. Om 11.35 h nemen we in ‘Le Boulou’ de bus naar ‘Le Perthus’ (271 m) aan de Frans-Spaanse grens. Iedereen heeft blijkbaar zin om naar de grens te rijden want het traject is een opeenvolging van opstoppingen. We stappen af, eten eerst een broodje met worst, hijsen de rugzak op onze schouders en weg zijn wij. We beginnen met de GR10 richting ‘Fort de Bellegarde’ . Vauban heeft hier op de grens een reusachtig fort neergeplant en naar goeie gewoonte deed hij dat bovenop een berg. 16% stijgingspercentage is in elk geval een straf begin. Zwetend wandelen we langs het fort om wat verder bij de ruines van Parnissars te komen. Langs het pad bemerken we de archeologische site van de ‘Via Domitia’. Hier vond men  overblijfselen van de oudste Romeinse heerweg in Frankrijk. Ons pad blijft maar stijgen in volle zon. Zwetend van de ‘col Priourat’ (459 m) naar de ‘col de Porteille’ (692 m) en zwetend naar beneden naar ‘Mas Nou (667 m). Een bord verwittigt dat we op een ‘Centre naturiste’ zijn, dat foto’s nemen verboden is én dat we moeten opletten voor de hond. We hebben dat pas vertaald of een grote hond komt luid blaffend aangerend. Gelukkig breekt hij tijdig zijn aanval af. We vervolgen ijlings ons pad maar geen schaamluis te zien. Door loofbos komen we op de ‘Col de Figuer’ (685 m) waarna we tussen de villa’s van ‘Super las Illas’ afdalen naar het dorpje ‘Las Illas’. Een mevrouw brengt ons naar de locale gîte (kostprijs € 4). Een eenzame Nederlander vervoegt ons, hij is zijn routebeschrijving kwijt en raadpleegt onze kaart. Na een deugddoende douche verkennen we het dorp; iets wat vlug voorbij is want er is hier letterlijk niets te zien. Dan maar onze dorst gaan lessen is de bar. Ondertussen is ook een Frans koppel in de gîte aangeland. Net als de Nederlander zijn ze weinig spraakzaam. ’s Avonds eten we lekkere schaapskoteletten (met volledige teentjes look) in het restaurant..

16 juli

We slapen wat langer want we hebben weer een korte wandeldag. Naast het restaurant nemen we een paadje dat ons omhoog brengt naar de Frans-Spaanse grens (712 m). We zijn er juist op tijd om een vos illegaal de grens te zien oversteken. Een bordje wijst de richting aan van ‘La Vajol’ en daar moeten we zijn om er de GR11 tekens op te vangen. We volgen de piste naar beneden en komen op een asfaltweg. Tiens, dat was niet voorzien, op mijn kaart staat geen asfaltweg! We volgen de weg, vragen voor alle zekerheid bij een groot hotel-restaurant of we wel de goeie kant opgaan en worden gerustgesteld. We lopen ‘La Vajol’ (515 m),een klein pittoresk dorpje, binnen en nemen plaats op een terrasje op de ‘Plaça Major’. Geen GR-tekens te bespeuren. Na een fles spuitwater (hier € 1 in Carcassonne € 5!) wandelen we tot aan de St Marti-kerk want deze wordt ook in de beschrijving vermeld maar nog altijd niets. We vragen het eventjes in de winkel en een oudere man wijst ons de weg. Er staan geen tekens in het dorp maar juist erbuiten vinden we een kanjer van een wegwijzer. De tekens zijn zo te zien splinternieuw. We volgen eventjes de asfaltweg maar worden al vlug het decor ingestuurd. Langs het pad staat er een mijnwagonnetje, even verder komen we voorbij een afgesloten mijningang en vervolgens bij het mijngebouw. Een bord geeft in drie talen (Catalaans, Spaans en Frans) aan dat dit de stille getuigen zijn van de ‘Can Canta’ mijn ; de laatste talkmijn van Catalonië. Talk werd gebruikt in de keramische industrie, in dierenvoeding, in verf en in cosmetische en farmaceutische producten. De mijn is echter beroemd omdat bij het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog hier een deel van de collectie van het Pradomuseum alsook het goud van de centrale bank (500 000 $) werd ondergebracht.
Net als bij de 1ste wandeldag lopen we tussen kurkbomen door. Bij de meeste is de bast (kurk) tot op manshoogte verwijderd. De grond is eveneens kurkdroog en bedekt met dode blaadjes en dode takken. Als er hier maar geen brand uitbreekt. We verlaten de gemakkelijke piste voor een paadje dat sterk afdaalt en wat later staan we voor een spiksplinternieuwe asfaltweg. Weeral. We vinden het laatste teken, het ‘Verkeerde richting’ teken en na heel wat zoekwerk een paaltje met een volgend teken maar daar blijft het bij, geen vervolgteken te vinden. We blijven de weg , die nog in volle aanleg is, volgen richting ‘Maçanet-de-Cabrenys’ (370 m). Net voor we het dorp binnen wandelen  komen de tekens weer te voorschijn. Geen probleem, zo weten we morgen waar we kunnen starten.
We logeren in het twee sterren Hotel ‘La Quadra’. De eigenaar spreekt gelukkig Frans. Hij legt ons uit dat men nog bezig is onze kamer te reinigen. Ik feliciteer hem met zijn mooie internet site waarna hij ons iets te drinken aanbiedt. Dit wordt onze eerste kennismaking met ‘Estrella Damm’, een lekker Catalaans biertje. Even overleggen welke formule we in het hotel nemen, maar als we vernemen dat de prijs ALL IN slechts  € 48  per persoon bedraagt is de keuze vlug gemaakt. Om 13 uur kunnen we onze kamer in en om 13.30 h zitten we in het restaurant. Voorgerecht + hoofdschotel (à la carte) + dessert + koffie + fles wijn; alles is in de prijs begrepen. Om de uitgebreide maaltijd wat te laten zakken maken we een ommetje in het dorp het is gloeiend heet. ’s Avonds weer volle maaltijd; we betalen ons verblijf en vragen wanneer het ontbijt is. “Om het even”;  dus vragen we ontbijt voor 6 uur. “Geen probleem we zullen de tafel zetten vannacht om 2 uur”. En dat was het.

17 juli

Dit wordt onze eerste lange dag. Volgens de beschrijving ligt ons eindpunt 10 uur verder. Niet treuzelen dus. We hebben geen kaart voor de trip van vandaag en moeten dus vertrouwen op de tekens en op de beschrijving, die wel dateert van 1993.  We vervoegen het GR-pad nabij het voetbalstadion en bemerken al gauw dat men hier vergeten is om de aanduidingen op te frissen; dat wordt opletten geblazen. We dalen kilometers ver af over een jeepweg naar ‘Moli d’en Robert’ (220 m). Dit blijkt een restaurant en bar te zijn helemaal beneden aan de rivier; er is eveneens een zwembad. Wanneer we daar voorbijkomen komt Robert als een duivel uit een doosje te voorschijn. Eindelijk klanten; mis dus. We steken de rivier over en beginnen te stijgen naar ‘St Andreu d’Oliveda’ (380 m), een romaanse kapel. We blijven stijgen maar even verder zitten we in de problemen: geen tekens op een wegsplitsing. Hadden we nu maar de kaart van de streek! Volgens de beschrijving kan het links zijn, dus kiezen we voor links en na een hele tijd vinden we een vervaagd teken. Gelukkig staat even verder een duidelijker teken; we zitten goed. We volgen een piste in de flank van de berg en stijgen, voorbij een ruïne naar een colletje (665 m). We dalen af naar de ‘Col de Palomeres’ (660 m)  en verder naar ‘Mas Ferreros’ (boerderij 580 m). Hier loopt het mis; de tekens zijn vaag, we interpreteren de beschrijving verkeerd en dalen een verkeerde weg af. Let op, op dat moment wisten we dat natuurlijk nog niet. Als eindelijk het besef komt dat we verloren gelopen zijn komt waarachtig een terreinwagen over het pad aangereden. Dit is waarschijnlijk de enige jeep die hier in maanden voorbijkomt. Je moet echt niet schoon zijn om geluk te hebben. We doen hem stoppen en vragen de juiste weg naar ‘Albanya’. De bosarbeider maakt ons in gebrekkig Frans duidelijk dat we volkomen verkeerd aan het lopen zijn en dat we terug naar boven moeten. Als blijkt dat hij zelf naar Albanya moet mogen we, na enig aandringen, mee. Na een lange rit naar boven, naar beneden de ene haarspeldbocht na de andere worden we in ‘Albanya’ (237 m) afgezet. In het dorpje vinden we een winkel en een bar. We doen onze inkopen, vullen onze waterflessen aan de pomp, eten wat brood en wat fruit en vertrekken want we zijn nog lang niet op onze bestemming. Voorbij de plaatselijke camping is het weer stijgen geblazen. Een betonweg voert ons 600 m hoger naar de Refuge van Bassegoda. Tien lastige, hete en vooral dorstige kilometers verder. Een bron laat ons gelukkig toe onze voorraad aan te vullen en even verder zijn we bij ‘Can Nou’. In deze schapenboerderij moeten we de sleutel van de refuge ophalen. Op het terras is een bar ingericht (3 wankele tuintafels met parasols en stoelen) en we kunnen er ’s morgens om 6 uur ontbijten. De sleutel krijgen we in ruil voor een identiteitskaart en we stappen onze laatste meters van de dag. De refuge ziet er van ver netjes uit maar binnenin is het verre van netjes. Geen elektriciteit, geen stromend water (het water uit het kraantje stinkt naar rotte kool), enkel een paar vuile matrassen op een stofferige vloer, de muren bespoten met graffiti; amai waar zijn we hier beland en dat voor € 5 per persoon. We installeren ons zo goed als het kan, gaan wel buiten zitten om te eten, wassen is er vandaag niet bij. We genieten wel van het grandioze panorama. Om de tijd te verdrijven gaan we een terrasje doen. Enkele toeristen komen op een scooter aangereden en protesteren luid als ze niet verder mogen. Volgens de boerin is dit onmogelijk.  Ik moet zeggen “Ze had verdorie gelijk”. Terug naar onze luxueuze gîte. Om 9 h komt er iemand aan de deur schudden. Een Italiaanse trekker komt er bij.

18 juli

We hebben weer een drukke dag in het verschiet. Na teruggave van de sleutel en het ontbijt gaan we op pad. De toon wordt onmiddellijk gezet. Tussen de rotsen door klimmen we steil, in haarspeldbochtjes omhoog naar de ‘Coll de Bassegoda’ (1105 m). Een eindje volgen we een piste om vervolgens via een paadje in de flank van de berg tussen de bomen af te dalen. Enkele verlaten huizen, een beekbedding dwarsen en we staan op de ‘Coll Roig’ (840 m). Nu krijgen we nog een smerige afdaling voorgeschoteld: rotsen, veel losse stenen die soms bedekt worden door bladeren. Alhoewel we supergeconcentreerd afdalen maak ik toch enkele keren onzacht kennis met de harde ondergrond  In ‘Sant Aniol d’Aguja’ (470 m) is er heel wat beweging bij de oude kapel (9de eeuw): jongeren die er in tentjes overnacht hebben en zelfs Vlaamse toeristen. We vullen onze drinkwatervoorraad aan en kunnen weer verder. Ons pad stijgt geleidelijk langs de wand van de kloof van de Rio Sant Aniol. Soms kunnen we vertikaal wel 100 m naar beneden kijken. In volle beklimming gaat de telefoon van Jean-Pierre ( een zeldzame keer dat we verbinding hebben) hij is deze morgen opa geworden. Bij ‘La Quera’,  de ruïne van een oude versterkte hoeve vieren we dit evenement met een koekje en een slok water. Nog eventjes klimmen en we staan boven op de ‘Coll de Talaixa’ (770 m). Rondom ons zien we de resten van het gelijknamig dorp. Een jeepweg voert ons geleidelijk naar beneden. We nemen zelfs de tijd om een praatje te maken met een Frans koppel die de omgekeerde richting volgt. Het dorp Beget is binnen 2.30 h zegt de man. Oef dat valt mee, maar later zal blijken dat zijn tijdsgevoel allesbehalve is. Beneden steken we de ‘Rio Llierça’ (400 m) over. Een groep meisjes plonst er in het water, het blijken Vlamingen te zijn.
De bron van ‘Coll Joeill’ (misschien stond hij droog?) missen we en dat zullen we geweten hebben. Even verder gaat het weeral de hoogte in en deze keer in volle zon. Het blijft maar stijgen tot bij enkele ruines (680 m) waarna we eindelijk kunnen afdalen naar de rivier. Over de brug volgen we een betonweg richting ‘Beget’. We zijn versleten en uitgedroogd. We bellen bij een boerderij aan om water te vragen. Een razende hond, een oude vrouw die door het raam van alles naar ons roept maar geen water. Gelukkig komen we een Frans koppel die ons een fles Evian geven. Zien we er zo slecht uit. Eindelijk strompelen we ‘Beget’ (541 m) binnen. Beget is een prachtig bewaard en gereconstrueerd verkeersvrij dorp. Een grote oude kerk (12de eeuw), natuurstenen huizen, een middeleeuwse boogbrug, enkele fonteinen en dit alles netjes en verzorgd We hebben een reservatie in een vakantiekolonie zo’n 2.30 uur verder maar dat zien we niet meer zitten. Mijn knie doet pijn tengevolge van de lange steile afdalingen en we besluiten een rustdag in te lassen.
We installeren ons op het terras voor een literfles ‘San Pellegrino’ (spuitwater!) de man om ons vervolgens in te schrijven in het hotel. Alles is volzet maar ….  we krijgen de beschikking over een 4-personen appartement tegenover de kerk. Na de douche gaan we terug naar het café. De waard spreekt Engels en aangezien er toch geen volk meer op de been is knoopt hij een gesprek aan. We zijn hier in de ‘Alte Garrotxa’ vertelt hij en ‘garrotxa’ betekent ‘een moeilijk begaanbaar terrein met veel scherpe stenen’; ja tegen wie zeg je het.
Hier in de streek spreken de meeste mensen enkel Catalaans. Deze streektaal is een overgangstaal tussen Frans en Spaans, al spreekt men hier niet van Spaans maar van Castillaans. Het onderwijs is eveneens in het Catalaans en de leerlingen krijgen slechts 3 uur ‘Castillaanse’  les per week. De waard is zelfs zo vriendelijk om een taxibedrijf te contacteren die ons morgen kan ophalen. De taxi komt omstreeks 17h en de prijs zal € 58 bedragen. Na enkele biertjes en een flesje wijn van de patron gaan we eten. De waard daar is allesbehalve vriendelijk en spreekt enkel Catalaans. Het is er heel druk maar hij laat zich allerminst opjagen. Het Frans koppel van daarnet is ook aanwezig, het blijken Frans-Canadezen te zijn.

19 juli

Rustdag, meerdere douchekes nemen, toeristje spelen, gaan eten in de bar. We eten er toast ‘escalivada’: een toast, ingewreven met look en olijfolie en belegd met gestoofde aubergines, pepers en uien. HEERLIJK!
’s Avonds om 17 h maken we onze opwachting bij de parking in afwachting van de taxi. Het blijft maar duren. Voor alle zekerheid ga ik nog eens terug naar de bar om er telefonisch onze reservatie voor de avond te bevestigen. De waard is verbaasd dat de taxi zo lang op zich laat wachten en wat later komt hij aangelopen om uit te leggen dat de taxi pech heeft. Ook heeft hij twee andere trekkers mee in zijn kielzog die ook van de taxi gebruik willen maken. Tof dan delen we het bedrag door vier.
Mis, de taxichauffeur wil alleen ons meenemen en zo krijgen we een rit van zeker 45 minuten en meer dan 60 km verder naar ‘Ull de Ter’ en dat voor slechts € 58.
We worden afgezet op een parking en de refuge ligt maar een eindje hoger. 150 m hoger kunnen we onze rugzak af leggen. We staan 2220 m boven de zeespiegel de temperatuur is ongeveer 10°C lager dan in het dal.
Onze rugzak, onze bergwandelstokken en onze schoenen mogen niet mee naar boven maar dat geeft niet. Op het toilet moet je het papier in een vuilniszak stoppen wat we raar vinden.
We eten worst met deegwaren en groenten.

20 juli

We hebben nog maar pas enkele stappen gezet of de eerste berggeiten laten zich al zien. Langs een skipiste , geborduurd door sneeuwkanonnen stijgen we naar de ‘Coll de la Marrana’ (2545 m). Onderweg horen we meerdere keren marmotten fluiten en eentje is fier zijn jongen te laten zien. Op de col staat een wegwijzer GR11-7, maar dit is voor morgen en een wegwijzer naar Nuria en dit is voor vandaag. We dalen een paar 100 m om een riviertje te dwarsen en stijgen dan weer naar Coll de Tirapitz’ (2781 m). Boven ons zweeft majestueus een arend. Vanaf nu lopen we hoog op de Frans-Spaanse grenskam. Over los gesteente zakken we eventjes naar de ‘Coll de Carança’ (2725 m) om vervolgens de Coll des Neuf Croix’ (2785 m) te overwinnen. Dit is het hoogste punt van onze tocht. De coll wordt bekroond door 7 kruisen maar geen mens weet nog wat hier de aanleiding toe was. We zakken af naar de ‘Coll de Noufonts’ (2650 m) waarna ons pad bruusk naar beneden duikt in de puinhelling. Opletten geblazen. Beneden in de bergweide is het heel wat prettiger wandelen. Spoedig komen we Nuria binnen. Nuria is een vroeger klooster aan het eindstation van het tandradspoor. Nu herbergt het een hotel, winkels, musea en een cafetaria. Enkele jaren terug zijn we hier eveneens beland maar dan kwamen we uit Eyne. We namen dan het tandradspoor naar Queralbs. We vonden dit dan zo formidastisch dat we de dag erop nog eens het tandradspoor namen om te voet af te dalen doorheen de kloof. We hebben honger en dorst en vallen de cafetaria binnen. Het geldautomaat is stuk wat zeer vervelend is want we hebben cash nodig. Na heel wat aandringen is een bediende van het informatiebureau bereid ons op vertoon van de bankkaart € 60 te geven..
Eenmaal dat geregeld gaan we weer op stap. Deze keer is Queralbs niet onze bestemming maar stijgen we tot bij de jeugdherberg en vervolgen via de GR11-7 of de ‘Sens des enginyers’. Ons pad loopt eerst lekker en volgt nagenoeg de hoogtelijnen maar verandert plots van karakter. We lopen spectaculair hoog boven in de canyon van de ‘Freser’. Ons pad versmalt en regelmatig mogen we evenwichtsoefeningen uitvoeren op de rotsachtige uitsteeksels. Even moet een trapje het ons gemakkelijk maken maar met een afgrond van zo’n 500 m diep rechts van je is dat niet zo vanzelfsprekend.
Het gevaarlijkste stuk is beveiligd met een 40 m lange stalen kabel en dat was wel nodig. Even verder komen we bij de ‘Refuge de Coma de Vaca’ (1995 m) aan.
Enkele families Nederlanders zijn ons voor geweest en ze zijn bijzonder luidruchtig.
’s Avonds krijgen soep (zo dik dat hij een hoopje vormt in ons bord), weeral worst, rijst met groenten.

21 juli

Het ontbijt bestaat uit 2 beschuiten, een pakje koekjes en een cakeje. De prijs van het verblijf is € 39 per persoon (begrijpbaar want alles moet hier per helikopter gebracht worden). Vandaag dalen we af naar de refuge van Ras Carança maar eerst moeten we terug naar de grenskam.
We vragen het aan de verantwoordelijke in de refuge en die geeft een ietwat verwarrende uitleg in gebrekkig Engels. Hebben we niet goed geluisterd? We hebben zeker niet goed naar de kaart gekeken want we vertrekken de verkeerde kant op. We stijgen loodrecht op de hoogtelijnen en laten ons leiden door een in de zon blinkend paaltje dat we heel hoog boven ons zien. Zo’n 2 uur later en 300 m hoger blijkt het blinkend voorwerp een radioantenne te zijn. We hebben ons vergist. We staan op de ‘Coll des Tres Pics’ (2300m). Er rest ons niets anders dan terug af te dalen.  Er loopt boven gelukkig een min of meer begaanbaar pad de juiste richting op. Terug in de juiste vallei zien we weer de tekens die we nu volgen. Bij een pluviometer (daar had men het in de refuge ook over) gaan de tekens weeral loodrecht de helling op. Er is geen pad. We volgen zo goed als het kan steil bergop de tekens en we belanden op de ‘Coll de Marrana’. We zitten in elk geval goed. Richting Nuria is echter eerst bergaf.  Op het diepste punt merken we dat hier eveneens een pad vanuit de refuge aansluit. We hebben ook  hier in feite een paar honderd meter te veel gestegen.
Over de ‘Coll de  Tirapitz’ komen we op de ‘Coll de Carança’ en kan de grote afdaling beginnen. Eerst zeer steil tussen de rotsblokken door dalen we naar een eerste bergmeer. Een groep Fransen ligt er te rusten maar wanneer we bij hen komen staan ze op om ook verder te dalen. Op de steile puinheling steken ze ons als een kudde berggeiten voorbij. De afdaling is lang en verloopt bijna volledig tussen rotsblokken door, ons tempo slinkt zienderogen.
Meerdere meertjes verder zien we eindelijk de refuge ‘Ras de Carança’ (1880 m) voor ons opdoemen.
“Désolez mais c’est complet”. “Man, man, man, miserie, miserie, en wat nu? Niks paniekaré, we krijgen een tentje tot onze beschikking. Na wat zoeken vinden we een redelijk vlak plekje naast de rivier en stellen we de tent op. Naast ons verschijnen nog meerder tentjes: een Hollands koppel dat de GR10 afwerkt en een Frans koppel waarvan de vrouw 60 jaar is dat de ganse oversteek van de Pyreneeën in één keer wandelt; ze zijn al 50 dagen onderweg.
Door het groot aantal logeerders moeten we in 2 ploegen eten en het is waarachtig linzen. We waren hier 4 jaar geleden ook eens en toen waren het ook linzen. Blijkbaar is het hier elke dag linzen eten.

22 juli

De laatste loodjes: langs de Carança naar beneden. In het begin dalen we redelijk tot spectaculair steil tussen de rotsen door naar beneden. Rechts naast ons huppelt de rivier van de ene waterval naar de andere. Eenmaal het steilste stuk achter de rug verandert de afdaling. De wanden komen dichterbij, het toeristengehalte stijgt. Soms moeten we over loopbruggen een goeie 5 m hoger aan de wand bevestigd, soms moeten we over wiebelende hangbruggen. Tenslotte stijgen we hoog in de wand waar ons pad letterlijk in de rotswand is uitgehakt. Een stalen kabel verhoogt het veiligheidsgevoel. Een laatste afdaling en we komen ‘Thuès-entre-Valls’ (855 m) binnen . Eerst iets drinken en dan naar het stationnetje van ‘Le Petit train jaune’.
We moeten echter 3 uur op de trein wachten dus doen we maar autostop. Bij het eerste motorgeronk achter ons steken we zonder kijken onze duim op. Het is een volkswagencamionnette. De chauffeur en zijn dochter zwaaien vriendelijk terug. Bij het zien van de Belgische plaat roepen we luid dat we ook Belgen zijn waarna de chauffeur stopt. Hij vraagt waar we naartoe moeten. Naar Villefranche-de-Conflent. Stap maar in. De camionnette is heringericht als mobilhome dus installeren we ons languit op het bed.  Als we in de loop van het gesprek vermelden dat we in Villefranche de trein naar Perpignan zullen nemen blijkt dat hij daar ook naartoe moet. Kan niet beter.
Om 13 uur zijn we in Perpignan. Hotelletje zoeken, doucheke nemen, pintje drinken, wandelingetje maken. Van randonneurs worden we op slag toeristen. De oude stad is zeer gezellig: smalle straatjes, veel eetgelegenheden, winkeltjes, terrasjes, pleintjes, oude gebouwen. In de rivier zwemmen tientallen forellen.

23 juli

Trein naar Carcassonne – bus naar het vliegveld – met Ryanair naar Charleroi – auto ophalen en naar huis – beginnen na te denken over de trip 2007