2007: Trektocht in het Parc National des Pyrenées
en in het Parque Nacional d’ Ordesa y Monte Perdido
De ‘Ordesa’ hebben we al altijd eens willen bezichtigen en de ‘Breche de Roland’ heeft een dusdanige magische klank dat we dit jaar een tocht opgezet hebben om beide doelen ineens te verwezenlijken. Als startplaats opteren we voor Lourdes.
14 juli
Om 17.39 stappen we op de trein richting Kortrijk om daar om 18.22 de trein te pakken naar Lille Flandres. Hier hebben we eventjes de tijd om buiten het station een terrasje te doen. Een pintje kost hier maar liefst € 3 en raar maar waar een Rodenbach is er duurder dan een Duvel.
Om 20.00 brengt de TGV ons naar Paris Gare du Nord en de metro voert ons ondergronds naar Paris Gare Austerlitz. Om 23.14 nemen we de nachttrein naar Lourdes.
15 juli: Lourdes (375 m)
Om 7.54 zijn we ter bestemming; of althans we stonden met de trein al een tijdje stil in een groot station voor we doorhadden dat dit Lourdes moest zijn. Voor het station nuttigen we een ontbijt en weg zijn we. We gaan op zoek naar het ‘Bureau du Tourisme’ waar de GR101 zou moeten starten maar vinden er geen tekens. Met de topo-gids in aanslag vervolgen we zoals aangeduid van straat tot straat en aan de ‘Pont du Cité’ is het raak: ons eerste teken. Langs souvenirwinkeltjes en hotels gaat het verder tot de eerste wegverandering. Dit wordt ook de eerste fout van de dag; we slaan te vroeg af langs de rivier om door netels, bramen en omgevallen vlierstruiken verder te ploeteren. Een zijpad brengt ons gelukkig op het juiste spoor. Tussen muurtjes van opeengestapelde rotsblokken, door hopen hooi en langs landbouwterrasjes beginnen we te stijgen naar Ossen, een onooglijk dorpje. We rusten wat op het dorpsplein en lopen vervolgens weeral mis. Na wat zoekwerk wordt duidelijk dat de GR-tekens hier eerder schaars vertegenwoordigd zijn. In Segus (570 m) stuurt men ons achter de kerk door de hoogte in. Een wagen van de gendarmerie haalt ons in en blokkeert onze weg. Het raampje gaat naar beneden, “waar kom je vandaan, waar ga je naartoe” (en français naturellement). Onze verklaring volstaat blijkbaar, ze leggen uit dat we gewoon de weg moeten volgen, drukken ons op het hart om voorzichtig te zijn en wensen ons een goede reis. De weg verder volgen; ze kennen er niets van want zo’n 50 m verder mogen we een mooi zacht stijgend bospad in. Aan de ‘Carrefour du cap de la Serre’ (727 m) is er een bron en een groot info paneel en mogen we overschakelen op een brede jeepweg die ons enkele km verder brengt tot bij een boerderij. Een smal, sterk stijgend paadje brengt ons vervolgens eerst door de weiden en vervolgens door manshoge varens
naar de ‘Col du Prat du Rey’ (1185 m). Het is gloeiend warm, we zweten ons te pletter. Temidden van koeien en paarden rusten we eventjes uit en stijgen dan nog steiler door een duister bos. Voortdurend moeten we links en rechts kijken om geen tekens te missen want het pad slingert zich tussen de bomen door. Na veel zwoegen komen we op de ‘Escala du Prat du Rey’ (1400 m). We zakken eventjes naar 1039 m en stijgen dan opnieuw door een bos naar de ‘Gîte de Haugarou’
(1200 m), onze eindbestemming van de dag. Het is 17.00 uur en nog 31 °C in de schaduw. We zitten alleen in de gîte maar een koppel jongen Fransen uit Rijsel zetten hun tentje op in de nabijheid. Douchen, wassen en een wijntje drinken vormen het klassieke einde van de dagtrip. Om 19.30 mogen we aan tafel. Op het menu: garbure (maaltijdsoep met aardappelen, vlees en veel groenten), linzen met worst en als dessert kaas en het brood dat eigenlijk bij de linzen hoorde.
16 juli: Gîte de Haugarou (1200 m)
We volgen eventjes de jeepweg maar slaan vervolgens een pad in dat ons door het bos omhoog leidt naar de ‘Col de Bazès’
(1509 m). We wandelen er in het gezelschap van paarden en koeien. We dwarsen een weg en stijgen verder naar de ‘Col de Berbeilles’ (1633 m). We steken over naar de andere flank en lopen er hoog boven het dal (’t is nu niet het moment om last te krijgen van hoogtevrees) naar de ‘Col de Cantau (1543 m). Beneden ons zien we een kudde rood beschilderde schapen. De kleur laat de herder toe zijn schapen van ver te herkennen. Op de col nemen we weeral een ander pad dat ons naar de ‘Col de Soum’
(1530 m) brengt. Een schare toeristen komt ons tegemoet om het meertje te bewonderen. Op de ‘Col de Soulor’ (1447 m) is het rustpauze. Deze col ligt aan de toeristische weg naar de col d’ Aubisque en het is er behoorlijk druk. Er zijn meerdere terrasjes en kraampjes met kaas en andere streekspecialiteiten. Na de terrasstop trekken we quasi horizontaal naar de ‘Col de Saucède’ waar we de GR10 vervoegen. Door de weiden en langs een bergriviertje beginnen we de afdaling naar Arrens-Marsous (878 m).
Het graspad gaat over op stenen en nog wat later in asfalt. We wandelen Arrens binnen. Het is er rustig, de restaurants en de winkels zijn nog dicht. In een zijstraatje vinden we onze gîte ‘Camelat’. De deur is dicht maar op een bord zie ik mijn naam met daarnaast “kamer 7”. We gaan binnen via de zijdeur, plaatsen onze schoenen en wandelstokken op de voorziene plaats en nemen de trap naar kamer 7. Ook hier staat mijn naam op de deur. Douchen, kleren wassen, andere kleren en sandaaltjes aan en dorp verkennen. We vinden een brasserie die open is en waar we een sandwich eten die we doorspoelen met een biertje.
We bezoeken het ‘Huis van het park’ van de Val d’Azun. Voor het gebouw staat een stenen beeld van een beer (jawel naar het schijnt leven de laatste beren uit de Pyreneeën in deze vallei) en binnen is er naast een info-kantoor een museum met lokale geschiedenis en opgezette fauna. Vervolgens wandelen wat door het dorp. De beenhouwer is open en we kopen er wat lokale bloedworst. Op een terras vinden we de Fransen uit de vorige gîte terug en dat vieren we prompt met enkele biertjes. Om 18 h zijn we in het ‘Maison du Parc’ waar mensen uit de streek hun activiteiten voorstellen aan de toeristen. We kunnen er proeven van streekspecialiteiten. Omstreeks 19 u slenteren we terug in de gîte maar het avondmaal is pas om 19.30 h. Tijd dus voor een glaasje wijn
Om 19.30 kunnen we eindelijk eten. We krijgen het gezelschap van enkele dames uit Parijs die een portie van de GR10 lopen. Zij moeten dezelfde kant op als wij, we zien ze dus de volgende dagen terug. Op het menu deze keer: meloen met hesp, tomaten uit de oven met aardappeltjes en forel. We besluiten met kaas en kaastaart.
Na het avondmaal gaan we slapen. Dit lukt me niet onmiddellijk want ik hoor ergens een wekker tikken. Ik ga op onderzoek en vind boven op de kast een reiswekkertje daar vergeten door een vorige logeerder. Komt zeker van pas.
17 juli: gîte Camelat (878 m)
Vandaag is de eerste lange etappe: 7.30 u stappen. Het eerste deel van de etappe verloopt echter grotendeels over asfalt en dat vraagt om autostop. Om 8 uur in de morgen zijn er maar weinig wagens te bespeuren zodat we maar beginnen te stappen. Het gaat flink bergop. Het eerste zweet breekt juist uit als een auto stopt. Een bejaard koppel gaat zelf een tochtje te voet maken en neemt ons mee tot op de ‘Col des Bordères’ (1150 m). Wat verder slaan we een paadje, belegd met grote keien, in dat daalt naar de kerk van ‘Estaing’. We dalen nog een flink eind en komen terug op de weg. Duim omhoog, jeepje stopt, in de koffer tot aan de ‘Lac d’Estaing’ (1161 m).Vanaf hier is het klimmen geblazen. Door het bos bereiken we, langs een zeer steil rechtuit-rechtaan-pad, de ‘Cabane d’Arriousec’ (1400 m). Ons pad wordt nu gelukkig wat minder steil en langs een beekje komen we bij de ‘Cabane de Barbat (1850 m). De brug
is ingezakt en na wat evenwichtsoefeningen kunnen we verder. In grote lussen, gemarkeerd door GR-tekens en mannetjes (steenhoopjes die de weg aangeven) komen we op de brede ‘Col d’Ilhéou’ (2242 m). Van voor ons op de kam komt een stroom toeristen ons tegemoet. Zij zijn juist aangekomen met de zetellift vanuit Cauterets. We dalen
af en over een pad ‘en balcon’ komen we bij het ‘Lac d’Ilhéou’ (1975 m). We zijn in het ‘Parc National des Pyrenées’. In de bijhorende refuge kunnen dranken en snacks besteld worden, het terras zit dan ook stampvol. Het is pas 13 u, we mogen enkel binnen om 17 u. Er zit niets anders op dan te wachten, we trekken trui en jas aan en bestellen een assortiment lokale charcuterie. De mist daalt neer, een snijdende wind steekt op, het wordt bitterkoud.
Een trekker uit Lyon vervoegt ons en al vlug wisselen we ervaringen uit. Volgens eigen zeggen weegt zijn rugzak 35 kg maar naar onze bescheiden menig is dit dichterlijke overdrijving; 25 kg lijkt ons realistischer. Onze rugzak weegt “slechts” 14 kg en dat is al zwaar genoeg. Hij wil ons beslist overhalen om eens door Corsica te wandelen. Om 16 u komen de Parisiènnes ons vervoegen en om 17 u mogen we binnen. Enkel de Parisiènnes en wijzelf hebben gereserveerd dus enkel wij zijn zeker van een bed. Een horde van 15 Engelsen komt binnenvallen en ook enkele vissers; er zal op de vloer moeten geslapen worden. We eten Garbure en rijst met hesp.
18 juli: Lac d’Ilhéou (1975 m)
Vandaag moeten we maar een kort eindje wandelen; het is rustdag. De gîte is ondergedompeld in de wolken. Het zicht is amper 50 m. We duffelen ons in en beginnen de afdaling naar Cauterets. Het gras en de stenen zijn nat, we vorderen voorzichtig maar kunnen een valpartij niet vermijden. We besluiten de jeepweg te volgen in plaats van de GR-tekens. De mist wordt dikker, mijn brilglazen worden voortdurend nat, ik zie geen bal voor mijn ogen. Uit de mist doemt het zetelliftstation op. We volgen nu een asfaltweg en zien de GR-tekens weer verschijnen. Vermits het zicht verbetert volgen we nu het pad. Onder begeleiding van het geraas van de talrijke watervallen dalen we scherp in zigzagjes langs de Ilhéoubeek. Beneden halen we de Parisiènnes in. Zij trekken vandaag nog verder, wij blijven in Cauterets (913 m). We zoeken de gïte ‘Pas de l’Ours’. We kunnen er onze rugzak achterlaten maar zijn pas welkom vanaf 14 u. We slenteren dus maar wat rond. Een centrum met gebouwen uit eind vorige eeuw, een casino, een thermaal kuuroord (reuma) en dat is het. In een Brasserie prijzen ze zelfgemaakte couscous aan, iets wat we zeker moeten proeven. Om 14 h staan we bij de gîte en kunnen we naar onze kamer. Een doucheke pakken, de was doen kan niet want er is geen mogelijkheid om de natte spullen te drogen. Om 15 u staan we weer op straat. We zoeken een cafeetje waar ze de tour uitzenden. Wat later komen de Rijselnaars binnen vallen en drinken we wat pintjes. Een ploeggenoot van Tom Boonen wint de rit. De Rijselnaars trekken morgen verder naar Luz-Saint-Sauveur. Wij gaan richting Spanje.
Het avondmaal is wel weer couscous zeker maar deze van ’s middags was toch beter.
’s Avonds gaan we nog kijken naar het open lucht optreden van de plaatselijke ‘Gipsy Kings’ maar we gaan toch vroeg naar bed want morgen is een zware dag.
19 juli: Cauterets (913 m)
Na een heus ontbijtbuffet kunnen we op stap. De wolken hangen laag dus hebben we onze regenkledij aan. In Cauterets staan geen GR-tekens maar we hebben gisteren een richtingsaanwijzer gezien bij de thermen. Vroeg in de morgen is er reeds activiteit. Het water bevat zeer zeker zwavel want het stinkt hier naar rotte eieren. Het pad verheft zich in haarspeldbochtjes door het bos naar de Thermes de Pauze -Vieux .(1029 m). Het zweet perst zich uit al onze poriën en vlug trekken we regenjas en regenbroek uit. We volgen verder de ‘Chemin des Pères en dalen wat later af naar de ‘Gave (bergbeek) de Lutour’ en een pracht van een waterval. Bij ‘la Raillère’ (1044 m) komen we opnieuw het ‘Parc National des Pyrenées’ binnen. Een wandelpad brengt ons langs talrijke prachtige watervallen naar de befaamde ‘Pont d’Espagne’ (1496 m) waar de ‘Gave de Gaube’ en de ‘Gave de Marcadou’ samen komen. De talrijke toeristen die hier per bus of met de wagen naartoe komen weten niet wat ze onderweg gemist hebben. Er gaat een kabelbaan naar de ‘Lac de Gaube’ maar wij gaan vanzelfsprekend te voet. Als een reuzentrap
gaat het pad door het naaldbos de hoogte in. Voor veel toeristen is het ‘Lac de Gaube’ (1725 m) of beter gezegd het terras bij het Lac de eindbestemming. Niet voor ons. We lopen langs de oever van het meer en stijgen verder langs een beek. Meerdere toeristen, waaronder enkele Vlamingen vergezellen ons. De ene keer gaat het steil omhoog maar vervolgens wandelen we vals plat. Na een granieten bult komen we bij de ‘Refuge des Oulettes de Gaube’ (2151 m). Op het terras kunnen we op adem komen. Voor ons een vlakte, doorspekt met afwateringsgeulen en daarachter de 1000 m hoge noordwand van de Vignemale
en zijn gletsjers. Het zicht is adembenemend. In het zonnetje is het lekker warm maar af en toe laat een kille wind van over de gletsjer ons naar adem happen. Van rechts zakt een sliert trekkers van de ‘Col des Mulets’. Het zijn Vlamingen die aan een bergtrekking deelnemen georganiseerd door “Te Voet”. Een van de deelnemers denkt dat hij een ijsbeer is want hij trekt zijn zwembroek aan en springt in het ijskoude gletsjerwater. Wat later is hij weeral op stap om de gletsjer eens van dichtbij te gaan bestuderen. Macho. Om 17 u kunnen we met onze bagage naar de slaapzaal. Er kunnen hier meer dan 100 mensen overnachten maar er zijn geen douches. Een kattenwasje moet volstaan.
Om 19 uur kunnen we aan tafel. We behoren tot de jongsten van het gezelschap. Eerst laten we ons een stevige garbure smaken. Vervolgens krijgen we een Tibetaanse pannenkoekje (= een pannenkoek gevuld met appelstukjes en nootjes) die we dippen in een sojasausje. Daarna volgt een groentenschotel om U tegen te zeggen met een kalkoenlapje. Geen wonder dat veel toeristen tot hier komen om eens te overnachten. Als dessert eerst kaas en dan pudding. Nou ja in een gulle bui schenk ik de pudding maar weg.
Tijdens het avondmaal ontdekken we dat één van de Vlamingen van Proven is, ze is duidelijk tevreden dat ze eindelijk eens een verstaanbaar dialect hoort. Later nodigt ze ons uit om te kaarten, we leren Chinees pokeren.
20 juli: Refuge des Oulettes de Gaube (2151 m)
Vandaag hebben we als rustdag uitgeroepen, dit betekent dat we maar enkele uren moeten stappen. We zitten weeral in de wolken, het zicht is minimaal. We wachten een uurtje, het betert niet dus moeten we vertrekken. We stijgen tot op de hoogte van de gletsjers en gelukkig voor ons trekken de wolken nu en dan even op zodat we de ijsmassa’s kunnen bewonderen. In brede lussen bereiken we de ‘Hourquette d’Ossoue (2734 m), de Petit Vignemale is nog in wolken gehuld dus laten we die nog eventjes rechts liggen. Voor ons in de diepte
zien we reeds de ‘Refuge de Bayssellance’ (2651 m). Dit is de hoogst gelegen refuge in de Pyreneeën en ons eindpunt van de dag. De gîte heeft een gebogen dak als het schild van een schildpad. Daar aangekomen zetten we ons in het schaarse zonnetje en bewonderen we de ruwe omgeving. Het is een voortdurend komen en gaan van trekkers. De refuge is de ideale startplaats van de beklimming van de Vignemale (3298 m) via de gletsjer van Ossoue. Velen hebben dan ook ijshouwelen, klimijzers, een helm en touwen aan hun rugzak hangen. We eten een omelet met spek en uiringen, nemen onze wandelstokken en vertrekken voor de beklimming van de Petit Vignemale
(3032 m). De top is nog altijd in wolken gehuld maar we hebben goed zicht en af en toe komt ook de gletsjer even te voorschijn. We zien duidelijk de sporen van de ijsklimmers.
Onze schoenen en rugzakken moeten in een voorportaal blijven staan en onze benodigdheden moeten mee in een mandje. Raar.
’s Avonds is het behoorlijk druk en wordt er in 2 shifts gegeten. Er staat gekookt graan met gekookt vlees op het menu. Bah!. Een Engelsman vervoegt ons en als hij verneemt dat we Belgen zijn vraagt hij welke bezienswaardigheden we hem kunnen aanraden in Brussel. Je mag één keer raden. De slaapkamers zijn klein, mede door het gebogen dak. Beneden slapen 3 personen naast elkaar en boven is er slechts plaats voor één. We kiezen dus voor een slaapplaats op het verdiep. ’s Nachts is er veel lawaai en gesnurk. Er steekt bovendien een fikse storm op die het gebouw doet schudden op zijn grondvesten. Er komt van slapen niet veel terecht.
21 juli: Refuge de Baysellance (2651 m)
Het regent, we zitten terug in de wolken. Eigenaardig dat na een mooie zonnige dag steevast een mistige dag volgt. We hebben een lange trip voor de boeg dus trekken we onze regenuitrusting aan en gaan we op stap. In brede bochten, waarbij we het pad naar de gletsjer rechts laten liggen beginnen we onze afdaling. Mist, regen
hagelstenen en af en toe een bliksemschicht met bijhorende knallende donderslag vergezellen ons. Voorbij de ‘Grottes d’Bellevue’ (schuilplaatsen uitgehouwen in de rotswand op 2420 m hoogte) verandert het karakter van de afdaling. We lopen rechts van een ravijn, mogen nu en dan klauteren over de nu gladde stenen en dwarsen meerdere sneeuwveldjes. Het smal ravijn verbreed zich tot een vlakte: de ‘Oulettes d’Ossoue’ (1866 m), die afgesloten is door een stuw (1825 m) . We laten de gemakkelijke weg naar Gavarnie links liggen en stijgen eventjes naar de ‘Cabane de Lourdes’ (1974 m). Hier verlaten we de GR10. Door de nauwe vallei van de ‘Ruisseau de la Canau’ stijgen we naar de ‘Col de Bernatoire’ (2393 m). De zon is te voorschijn gekomen, het pad richting Spanje loopt lekker en de omgeving is prachtig. Naar het einde toe wordt het pad behoorlijk steil en komen we weer in de wolken terecht. Gelukkig wijzen steenmannetjes ons de weg. Boven trekken de wolken eventjes open en zien we beneden ons eventjes het ‘Lac de la Bernatoire’ (2275m). Het is een klein rond meer dat in een kom ligt en van vulkanische oorsprong is. We dalen af naar het Lac maar de wolken sluiten zich opnieuw. Aan de andere kant van het Lac gaan we de Col over en lopen we Spanje in. De mist is hardnekkig en we moeten meer raden waar het pad is dan dat we het zien. Daarenboven is de berghelling flink geërodeerd en moeten we zelf maar zien hoe we verder beneden komen. We zakken een honderdtal meter en de zon komt weer te voorschijn. Eenmaal op de vlakte zien we voor ons een berghelling
die letterlijk geel is van de bloemen. Het betreft hier waarschijnlijk een soort brem. Het geel is gespikkeld met het blauw van irissen. Buitengewoon prachtig; dit loont zeker alle moeite die we gedaan hebben om hier te geraken. Een brokkenpad waarlangs ook de koeien de weide bereiken (strontwegel) sluit de afdaling naar ‘San Nicolas de Bujaruelo’ (1300 m). Dit is een camping met bijhorende refuge
in de vallei van de Rio Ara. We hadden gereserveerd en een voorschot betaald maar blijkbaar weten ze van niets. Dit wordt moeilijk discussiëren want ik ken geen Spaans en de ander kent slechts een beetje Engels. Als de verantwoordelijke voor de refuge eindelijk opdaagt worden alle misverstanden opgelost. Ik vraag hem om ook eventjes de volgende refuge te contacteren om zekerheid te hebben.
Voor de prijs van een armzalig pintje in Frankrijk (€ 3 ) krijg je hier ½ liter San Miguel ! We laten het ons smaken en samen met een bocado (stokbrood) met kaas en groene pepers vergeten we al onze problemen. Joepie, er zijn hier zelfs douches. De deur niet kan sluiten maar wie trekt zich daar iets van aan. Een jonge Engelsman komt bij ons zitten. Hij is van Gavarnie door de ‘Breche de Roland’ naar Goriz getrokken en vandaar door de Ordesa naar hier op het terras. De laatste etappe kostte hem 7 uur. Wij moeten morgen in tegengestelde richting, dat belooft. Hij heeft ook veel pijn aan zijn schouders en als we hem vragen hoe hij zijn rugzak draagt merken we dat hij die eerder als gatzak dan als rugzak beschouwt. We leggen hem uit hoe het moet: eerst de rugzak om, daarna de heupriem stevig boven de heupen vastsnoeren en dan pas zijn schouderriemen bijstellen. Zo neem je het gewicht op de heupen in plaats van op de schouders. Een of andere idiote winkelbediende had hem juist het tegenovergestelde wijs gemaakt. Om 19.30 eten we: eerst soep, dan een salade en dan een vleesschotel. Kip of konijn, we weten het niet maar het smaakt.
22 juli: San Nicolas de Bujaruelo (1300 m)
Vandaag andermaal een lange dag. We steken de boogbrug over en zitten op de GR11. Ons pad loopt eerst lichtgolvend langs de Rio Ara tot aan de volgende brug. Aangezien de wanden van het ravijn dichter naar elkaar toekomen moeten wij de hoogte in. Af en toe is onze veiligheid verzekerd door een stalen kabel en een paar metalen bruggetjes zijn ook welkom. Op het hoogste punt zien we beneden voor ons Torla (toeristisch stadje) liggen en links van ons, in de diepte, de Pont de los Navarros en de toegang tot de Ordesa-vallei. Bussen voeren reeds de toeristen af en aan. We krijgen prompt, voor de eerste keer in 4 dagen GSM-verbinding. Hoog tijd om het thuisfront gerust te stellen. We dalen af naar de Rio Ara, volgen eventjes de verharde weg en lopen rechts het decor in. Een paar 100 m verder beseffen we dat we verkeerd bezig zijn en maken we rechtsomkeer. We moeten links onder de brug door. Ons pad stijgt bijzonder steil door het naaldbos. Eenmaal de bult overwonnen loopt het lekker horizontaal verder. Beneden stroomt de Rio Arazas. Niet te geloven hoeveel kubieke kilometer dat riviertje hier heeft uitgesleten. Regelmatig wijzen naambordjes naar de watervallen; maar dat betekent een flink stuk dalen om dan weer te stijgen. Neen dank je. De uitgestrekte parking (1320 m) ligt er verlaten bij. Welke toerist zou er ook met zijn wagen tot hier komen als er om de 15 minuten een konvooi van 3 bussen over de smalle weg tot hier komt. Voorbij de parking kunnen we kiezen: de gemakkelijke toeristenweg (die de Engelse trekker had genomen) naar het eind van het dal of de moeilijke, in de winter en het voorjaar levensgevaarlijke weg. We kiezen voor de moeilijke variant. In ontelbare bochten zigzagt ons pad (soms een trap met reuze treden) zo’n 600 m steil naar omhoog (= 10x de trappen van het Hellegat na elkaar). Tot onze verbazing komt er iemand op een heel bizarre manier naar beneden. Hij heeft een dikke paal van wel 3 meter lang bij met op het einde een metalen punt. Hij steekt die punt voor zich in de grond, stoot zich af en glijdt vervolgens langs de paal naar beneden. Boven kunnen we genieten van een uitzichtpunt
(1949 m). Aan de overkant bewonderen we de ‘Cirque de Cotatuera’. We lopen nu kilometers verder nagenoeg horizontaal. Op het einde dalen we geleidelijk naar de ‘Cirque de Soaso’ met de waaiervormige waterval ‘Cola de Caballo’ (1760 m). Eventjes rusten want er wacht ons een attractie van formaat. Eerst gaat het steil door het steengruis naar de rotswand en dan moeten we minstens 20 m vertikaal omhoog klauteren langs de rotsen. Kettingen en ijzeren handgrepen
zijn als hulpmiddelen in de wand aangebracht. Niet voor mensen met hoogtevrees of slappe sluitspieren. Voortdurend stijgend vervolgen we ons pad
tot we eindelijk de ‘Refuge de Goriz’ (2195 m) bereiken.
Het is een kleine refuge maar het is er behoorlijk druk. Dat wordt drummen. We melden ons aan en krijgen een sleutel van een bergkastje waar onze rugzak en onze schoenen in moeten. Het nummer van ons kastje is ook het nummer van ons bed. We zijn benieuwd. In de kamer zijn er drie verdiepingen van negen bedden en wij liggen natuurlijk helemaal boven.
Het avondmaal is ook hier in 2 shifts en we zitten weeral in de 2de shift. We krijgen linzensoep, vervolgens een salade en tenslotte een kippenbil. Als dessert kaas en weeral pudding.
’s Nachts is er beneden me ergens een die verschrikkelijk snurkt, de ganse slaapstelling trilt ervan. De nachtrust is weeral verre van ideaal.
23 juli: Refuge de Goriz (2195 m)
Het is prachtig weer. Vol goeie moed beginnen we aan onze laatste stapdag. De start verloopt geleidelijk doorheen de weiden maar daar komt vlug verandering in. Over de rotsen en door steenvelden bereiken we de ‘Col Millaris’ (2457 m) en dan beginnen de problemen. Eerst valt er een wat lichte regen die vlug overgaat in mist. Waar is de Breche de Roland? We komen langs enkele tentjes met Engelsen en volgen hun aanwijzingen. We klauteren door het steengruis zowat alle richtingen uit maar worden steeds gehinderd door ravijnen of sneeuwvelden. Tot overmaat van ramp begint het te gieten. Als we beneden ons tussen grote steenblokken een tentje zien dalen we af om er de weg te vragen. Het zijn Nederlanders maar in de mist weten ze evenmin welke richting we uit moeten. We proberen het nogmaals, tevergeefs. Er zit niets anders op dan terugkeren naar de refuge om later een nieuwe poging te ondernemen. Omstreeks 12 uur geven we er de brui aan en dalen we af. Mijn wandelstok blijft haperen, ik glijd uit en mijn stok plooit midden door. Ik moet het verder met maar één wandelstok stellen. We verdwalen in de mist en belanden in de verkeerde vallei (door de mist weten we dit op dat moment nog niet).. We kunnen even goed op de maan zitten. In een rechte lijn lopen is onmogelijk We zitten op een karstplateau doorgroefd met spleten, ravijnen en bezaaid met diepe putten. Steeds moeten we langs en over de rotsen klauteren en afdalen, regelmatig maken we kennis met de harde ondergrond.. Vol goeie moed volgen we paadjes en steenmannetjes maar die leiden nergens heen. Als omstreeks 16 uur de mist optrekt staan we met onze neus tegen de Ordesa boven in de ‘Cirque de Cotatuera’. 180° draaien en zo goed en kwaad als het kan gaan we de andere kant op. We komen in een dal dat we herkennen. Hier zijn we zeker deze morgen geweest en voor ons zien we heel duidelijk de Breche
. Tot onze vreugde staat de Nederlandse tent in de wei. We lopen er naar toe en worden hartelijk ontvangen. Het is 18 uur. We zeggen dat we nog een poging voor de Breche willen ondernemen maar vragen dat indien het mis loopt we de nacht bij hen mogen doorbrengen. Geen probleem. We klauteren de helling op stellen en passant vast dat er beneden aan de andere kant een weerstationnetje is: hier is het juiste dal, en richten vol goeie moed onze schreden naar de Breche. Mis, we worden andermaal voortdurend gehinderd door diepe kloven waardoor we tijdrovende omwegen moeten zoeken. Omstreeks 20 h stoppen we er mee. Nu het nog licht is moeten we de Nederlanders terugvinden. Om 21 h staan we bij hun “2 persoons”-tent. Ze halen hun bagage naar buiten, leggen een reflecterend matje op de grond (vochtwerend) zodat we onze slaapzakken erop kunnen leggen. Het wordt bitter koud. Ze warmen een kop koffie en we beseffen dat we de ganse dag nog niet gegeten hebben.. Enkele geschooide droge vijgen later kruipen we met al onze kleren aan in de slaapzak. De voortent is langs onder open zodat de gure wind ons diep in de rugzak doet kruipen. En zeggen dat we eigenlijk voor deze avond een kamer met bad hadden gereserveerd in een hotel te Gavarnie. We beseffen dat we geluk hebben, niet alleen omdat we onderdak hebben maar zeker dat we er heelhuids vanaf gekomen zijn. ’s Nachts komen we rillend wakker: het condensvocht heeft de slaapzakken nat gemaakt zodat de kou nog erger wordt.
24 juli: ergens beneden de Breche de Roland (2600 m?)
Om 5 uur staan we een eerste keer op maar het is nog donker buiten. Om 6 uur is het tijd om op te staan. Onze weldoeners zetten koffie en we krijgen zelfs een boterhammeke met choco. Om 6.30 staan we in de startblokken voor een nieuwe aanval op de Breche. We klimmen een paar 100 m maar stellen vast dat de Breche weeral in nevel is gehuld. Geen risico’s meer, want we MOETEN onze trein halen in Lourdes. We dalen af dwarsen de vlakte, stijgen aan de andere kant om het weerstationetje te zoeken. Gaan over de Col van Millaris en zien reeds een meute trekkers die ons tegemoet komen richting Breche. Om 9 uur staan we bij de refuge van Goriz. Vanaf nu is het een race tegen de klok. Een uurtje later zijn we in de Ordesa. Deze keer nemen we de toeristische weg in dalende lijn. Om 12 uur zijn we op de parking. Om 12.15 nemen we de bus tot aan de Pont de Navarra. Acht km verder langs een grintweg ligt Bujaruelo. Duim omhoog en drie ritjes later zijn we er. We eten een bocado en om 13 u starten we opnieuw . We moeten 700 m hoger naar de Port de Bujaruelo want daar ligt de grens en de parking boven Gavarnie. Om 16.15 staan we op de parking en steken we de duim op. Geen succes. We vragen het dan maar aan iemand die juist in zijn wagen stapt en die wil ons wel een lift geven tot Gavarnie. We persen ons en onze rugzakken in het wagentje en zoeven in talrijke haarspeldbochten naar Gavarnie. Hier hebben we geluk. We staan pas te liften als een vrouw ons roept. Aan mijn T-shirt had ze gemerkt dat we Vlamingen waren dus nemen ze ons mee. Om 18 uur staan we in Lourdes. Tijd zat om een pintje te drinken en iets te gaan eten. Om 22.30 u liggen we reeds te maffen in de trein en we komen pas wakker in Parijs. Metro – TGV naar Lille – sprintje naar de trein voor Kortrijk – sprintje naar de trein voor Ieper en om 11.20 u zetten we voet op Ieperse bodem. Het zit er weeral op. Breche, je hebt ons liggen gehad maar je bent daarom nog niet van ons af.