Op stap met de broertjes Wydhooge door de jaren heen.

//breedte en hoogte plaatje //hier je tekst //url die geopend moet worden //target  

2008

2008: Trektocht in het Parc National des Pyrenées en in het Parque Nacional d’ Ordesa y Monte Perdido

Vorig jaar waren we in de mist verloren gelopen op de hoogvlakte van Millaris beneden de Breche de Roland en hebben we de Breche noodgedwongen links moeten laten liggen. Dit jaar wensen we dit gemis goed te maken door vanuit Frankrijk de oversteek te maken. Vermits er op 11 juli een huwelijksfeest in de familie op de kalender staat zullen we pas op 12 juli vertrekken voor een tochtje van één week. De plannen worden gemaakt, de refuges worden in februari gereserveerd, de treinticketten worden reeds in april aangeschaft.

Zaterdag 12 juli: Heenreis
We vertrekken vanuit Ieper om 16.39 naar Kortrijk en nemen daar (17.23) de trein naar Lille Flandres. In Rijsel hebben we een zee van tijd; onze TGV naar Paris Gare du Nord vertrekt pas om 20.02 vanuit Lille Europe.
Eenmaal in Parijs brengt de metro ons naar Paris Austerlitz waar om 23.11 de slaaptrein naar Lourdes vertrekt. Een vrouw komt ons compartiment binnen en beweert dat ik in haar bed slaap. Kan niet, er is slechts plaats voor één en daarbij ik heb mijn ticket ruim een maand eerder gekocht.

Zondag 13 juli: Cauterets -- Luz-Saint-Sauveur
’s Morgens om 07.49 staan we in Lourdes waar we om 8.10 de bus pakken naar Cauterets.
Om 9.05 worden we bij het voormalig station van Cauterets afgezet: ons avontuur kan beginnen.
Cauterets (913 m) is een klein stadje dat voor zowel natuurliefhebbers als bergfanaten een belangrijke toegangspoort vormt voor het Parc National des Pyrenées. Het is eveneens bekend als thermaal station.
De lucht is grijs, de temperatuur valt mee.
We eten een broodje, nuttigen een koffie en begeven ons naar het thermengebouw. Achter dit gebouw stijgt een pad naar de ‘Thermen van Pauze-Vieux’ (1029m) waarna we naar links een asfaltwegje volgen naar het ‘Chalet van Koningin Hortense’ (1211m). Cauterets ligt aan onze voeten. Nog eventjes volgen we de weg om dan, eenmaal in het bos, een smal paadje te volgen dat zigzaggend verder stijgt tot aan de weiden (1475 m). In ruime bochten stijgen we nu geleidelijk verder tot op de Col de Riou’ (1949 m). We dalen af tot aan een skilift langsheen de weg naar Luz-Ardiden. Smalle paadjes laten ons toe de talrijke haarspeldbochten af te snijden, het wemelt er van orchideeën.  Uiteindelijk wandelen we Grust (975 m) binnen.
Grust is een schattig klein bergdorpje met prachtig zicht op Luz-Saint-Sauveur beneden.
Achter de kerk dalen we verder af over een modderig paadje. Prompt glij ik uit en wat verder kom ik nogmaals onzacht in aanraking met de ondergrond. De laatste valpartij is wat ongelukkig want ik kom op mijn wandelstok terecht die plooit. Verdorie, het waren pas nieuwe stokken. In Luz kan ik dus op zoek naar een paar steviger stokken.
Na het volgend onooglijk dorpje Sazos opteren we voor de korte weg en wat later wandelen we Luz-Saint-Sauveur binnen. We waren 9 uur onderweg.
Luz is een oud dorp en net zoals Cauterets een toegangspoort naar het Parc National des Pyrenées. Je kan hier zowat elke buitensport beoefenen: wandelen, VTT, canyoning, rafting, via ferrata, ...
We logeren in de gite ‘Le Piolet’. Na een deugddoende douche wandelen we het dorp in. Voorbij de versterkte Tempelierskerk (nu museum) bereiken we het centrum. In de sportwinkel schaf ik me degelijke bergwandelstokken aan. We verkennen verder het dorp (wat snel gebeurd is), gaan eens loeren langs waar we morgen moeten vertrekken en wandelen terug naar de gîte. Het avondmaal is klaar maar is teleurstellend van kwaliteit: een slaatje van tomaat met één half eitje, erg doorbakken canard confit met aardappelschijfjes zwemmend in het vet, aangebrande kersentaart.
Er zit niets anders op dan te gaan slapen.

Maandag 14 juli: Luz-Saint-Sauveur -- Gavarnie
Vandaag gaan we onder een stralend blauwe hemel naar Gavarnie.
We steken de ‘Pont de l’ Egalité’ over en langs het kerkhof stijgen we lichtjes naar de ‘Chapelle de Solferino’.
Napoleon III liet deze kerk bouwen uit dank voor de genezing van zijn echtgenote Eugénie na een waterkuur in Saint-Sauveur. Solferino is een Italiaans dorp waar de Fransen in 1869 de Oostenrijkers versloegen.
Wat verder komen we op de weg van Luz naar Gavarnie en steken we de Pont Napoleon’ over. Deze brug werd op orders van dezelfde Napoleon III geconstrueerd. Een zuil van 14 m hoog met bovenop de keizerlijke arend houdt de herinnering levend. De brug bevindt zich 65 m boven het water en elke woensdag kan je er benji springen. Maar …’t is helaas maandag.
We wandelen over de weg richting Saint-Sauveur (738 m) en slaan, net voorbij een kerkje, een klein steil weggetje in. Om het nog sneller te laten stijgen gaat het pad over in een trap. We komen op een asfaltweg en snijden enkele haarspeldbochten af. Bij de samenkomst van de GR10-tak afkomstig uit Cauterets en deze afkomstig uit Gavarnie volgen we deze laatste steil bergop naar de ‘Croix de Sia’ (1025 m). Vanaf nu moeten we dalen naar het gehucht Sia (780 m), gelegen aan de weg Luz-Gavarnie. We volgen eventjes de weg en slaan een paadje in. Dit loopt parallel aan de weg tussen de landbouwterrasjes door. Voorbij de camping van Saint Bazerque nodigt een bord ons uit om een taartenfabriek te bezoeken maar we hebben daar nu geen zin in. We komen weer op de weg. Ter hoogte van de elektriciteitscentrale van Pragnères (900 m) steken we de rivier over en vervolgen ons asfaltwegje naar Trimbareilles (1000 m) We rusten wat uit bij een waterbron waar een landbouwer ons het verdere verloop van onze route uitlegt. Langsheen de ‘Gave de Cestrède gaat het steil rechtlijnig omhoog tot aan een grintweg. We volgen de weg tot aan de ‘Granges de Bué’ (1482 m). Een groep jongeren, vergezeld van een pastoor,  komt ons tegemoet onder het zingen van religieuze liederen. Het ontvangstcomité? Neen, ze lopen ons voorbij zonder zelfs maar te groeten. We nemen opnieuw een smal paadje dat ons eerst omhoog zendt door de weiden om dan steil verder omhoog te kronkelen. Wat verder mogen we warempel horizontaal in de flank van de berg verder wandelen door het naaldbos van Bué; een verademing. We stijgen nog even tot de ‘Croupe de Pouey-Boucou’ (1874 m) en mogen dan afdalen  tussen de jeneverbesstruiken en de heideplanten door. Deze staan zo dicht bij elkaar dat ons pad amper nog een voet breed is en meestal onzichtbaar. We struikelen meerdere keren over wortels en worden geregeld geschramd. Op de ‘Col de Suberpeyre’ (1725 m) kunnen we een eerste blik werpen op de ‘Cirque de Gavarnie’ en de ‘Brêche de Roland’. We dalen langdurig af in de vallei van de Aspe tot aan het brugje waarna we op de andere flank terug kunnen stijgen. Het terras van de Gîte d’étappe de Saugué (1610 m) is een welgekomen rustplaats. We vragen de kortste weg naar Gavarnie en ze sturen ons wat verder een weggetje in. We verliezen onze weg uit het oog, belanden in een privétuin en vervolgen recht naar beneden door het hoge gras. Een steil brokkenpad zet ons af langs de weg naar Gavarnie.
Gavarnie (1365 m) is het laatste dorp in de vallei en wereldberoemd voor zijn Cirque, een massieve meer dan 1500 m hoge muur waarvan de toppen meer dan 3000 m hoog zijn. Het beeld wordt vervolledigd door de talrijke watervallen die zich naar beneden storten en waarvan de Grande Cascade (422 m) zelfs de hoogste van Europa is.
Het is 19.15 en we zijn reeds 11 uren op stap. Vermits men ons verwittigd heeft dat het avondmaal om 19.30 is en we nog meerdere km voor de boeg hebben verwittigen we de gîte. De eigenaar komt ons waarachtig ophalen in zijn jeep. Tijd om ons te wassen is er niet want we moeten aan tafel. Een stevig soepje, een uitgebreide salade, frietjes met suikerboontjes en gebraad en platte kaas met bessen als dessert. Hemels.
Na het avondmaal nemen we een douche en kruipen we vroeg onder de wol, het was een zware en hete dag en daarbij, ze hebben de 14 juillet gisteren al gevierd.

Dinsdag 15 juli: Gavarnie – Refuge de Goriz
Vandaag moet een hoogdag worden. We gaan naar de ‘Breche de Roland’ (2807 m). Er is veel sneeuw gevallen in maart en die is nog niet weg. Maar dit kan geen probleem vormen gezien de diep uitgesleten paden van alle voorgangers. In Spanje zou er geen sneeuw liggen. Om onze stapdag wat in te korten steken we bij het buitenkomen van de gîte onze duim op en het is onmiddellijk raak. Iedereen die hier voorbij komt is immers een wandelaar die zijn auto plaatst op de parking van de col des Tentes (2208 m). Nog 600 m te klimmen.
We wandelen langs de weg tot aan de port de Boucharo . De Fransen hebben de weg aangelegd in de hoop dat de Spanjaarden er op zouden aansluiten maar die hebben daar gelukkig geen zin in. Aan de port nemen we het pad naar de Refuge de Sarradets. Het pad loopt eerst horizontaal en gunt ons een blik op de Cirque en zijn grote waterval. Aan het rustig lopen komt een eind als we steil omhoog door de sneeuw mogen ploeteren. Heel wat wandelaars komen ons tegemoet, de ene met meer lef dan de andere want er wordt nogal eens uitgegleden. Aan de refuge (2587 m) gekomen rusten we even uit en genieten we van het zicht op de Breche. Vervolgens stijgen we verder.
De Brèche de Roland is een doorgang van 40 m breed en 100 m hoog, in de bovenste verrassend dunne bergwand boven de Cirque de Gavarnie. Over het ontstaan van de Brèche doen uiteraard heel wat verhalen de ronde. De legende vertelt over de held Roland, neef van Charlemagne, die zijn zwaard liever op de rotsen kapot sloeg dan het in de handen te laten vallen van het Saraceense leger. Het zwaard brak echter niet en het was de rots die openspleet waardoor hij kon vluchten. Erosie klinkt iets geloofwaardiger.
Boven gekomen zitten er heel wat dagjesmensen en in tegenstelling met wat men ons beneden zei is er aan de Spaanse kant sneeuw zover het oog reikt. Hoe moet je hier naar beneden? Er is geen pad te bespeuren en iedereen blijft zitten. Tenslotte gaan er toch een paar Spanjaarden naar beneden en wij volgen. In het begin lopen we langs de wand en  sneeuwvrij. Op een bepaald ogenblik is ons pad zelfs beveiligd met een kabel. Hier zouden we dus hoog boven de vallei moeten wandelen maar naast ons is er alleen sneeuw, hééééél veel sneeuw. We volgen nu de voetstappen door de sneeuw en ons pad begint warempel te stijgen. Ik vertrouw het niet en treuzel een beetje. Onze Spaanse spoorzoekers beseffen wat later ook dat we eigenlijk op weg zijn naar de ‘Marboré’ (3009 m). Dit wordt omdraaien en afdalen. De Spanjaarden stoppen even om hun crampons (ijzeren pinnen onder de schoenen) te bevestigen. Zij dalen gezwind, als berggeiten door de losse sneeuw; wij volgen voorzichtig. De kaart is van geen tel meer want de herkenningspunten zijn ondergesneeuwd. Wij bevinden ons honderden meter boven de bodem van de vallei, de mensen beneden zijn gelijk mieren. Op een bepaald ogenblik zit er een man te rusten op een rotsblok en staat er aan de overzijde een vrouw op een andere rotsblok. Links loopt er duidelijk een ingelopen pad de hoogte in.. Hij merkt dat we elk twee wandelstokken bij ons hebben, zegt dat zijn vriendin aan de overkant niet durft over te steken. Hij vraagt Jépé over te steken, zijn stokken te geven aan de vrouw waarna ik  nadien zijn stokken kan meenemen. Jépé steekt over terwijl ik de man uitleg dat het nog een heel eind door de  sneeuw is tot aan Breche. Jépé is aan de overkant en de beide trekkers overleggen hun verdere stappen. Ze besluiten terug te keren waarna ik aan de oversteek begin. De sneeuw is hard bevroren, de helling is zeer steil. Voor ik het besef glijd ik uit en ben ik op mijn achterwerk met een rotvaart op weg naar beneden. Er ligt een grote rotsblok op mijn weg, een crash is onvermijdelijk. Ik kan gelukkig voldoende remmen om zonder al te veel kleerscheuren te landen. Ik klauter op het blok en stel vast dat ik op een eiland zit. Het besef, dat zonder deze rots, ik met steeds toenemende snelheid als in een vrije val verder zou gegleden hebben met ernstige tot fatale verwondingen tot gevolg, overvalt me. Ik kan hier echter niet blijven dus waag ik een volgende oversteek. De helling is nog steiler en loopt ononderbroken tot beneden door. Ik merk wel dat er rechts onder me een doorlopende rotsstrook eveneens tot beneden doorloopt. Dat moet ik in de gaten houden.  Halfweg de oversteek ga ik weer onderuit. Met alle middelen (wandelstokken, hielen, vingers) probeer ik mijn richting naar rechts te verleggen. Dit lukt me wonderwel en ik kom tot stilstand tegen een reuze rotsblok. Ik klauter een paar meter omhoog. Jépé is ondertussen over de rotsen afgedaald om me richting te geven. Ik moet weer naar beneden en kan daar oversteken naar de doorlopende rotsstrook. Ik heb meerdere snijwonden en de zijkant van mijn rechter arm en been zijn volledig geschaafd door het ijs. Ik ben in de som waarschijnlijk 100 m lager beland. Mijn hart bonst in mijn keel, ik probeer het beven te doen stoppen, mijn keel is pijnlijk droog. Ik daal verder af tot het sneeuwveld horizontaal wordt en steek over. Mijn glijpartij heeft alleszins tot gevolg dat we een paar honderd meter meer mogen klimmen. Wie we echter niet meer zien noch horen, zijn die twee Fransen voor wie we eigenlijk van richting veranderden om hen te helpen met de hiervoor omschreven pijnlijke gevolgen als resultaat. Bedankt…..We hadden verleden jaar meer geluk met onze noorderburen.
We krijgen het gezelschap van drie Fransen die via een andere weg naar beneden gekomen zijn. Rechts beneden ons zien we de vlakte (Llanos de Millaris 2400m) waar we vorig jaar onderdak vonden in een tent.  Eerst moeten we nu stijgen naar een volgende vlakte ( Plana de San Ferlus). De bodem is er vlak en ondergesneeuwd  maar er stromen reeds enkele kleine riviertjes door. We stijgen verder naar de Collado del Descargador (2498m). We zoeken voorzichtig over steengruis en sneeuwvelden onze weg naar beneden. Eindelijk eens een vlak pad door het gras.
We dwarsen de vlakte en komen bij vlakke kalkstenen rotsen, met hier en daar diep verweerde gleuven in. Hier staan op regelmatige afstand steenmannetjes (opeengehoopte stenen die de weg aanduiden).  Deze bakens gidsen ons naar verticale rotswand waar we op handen en voeten af mogen klauteren. We zien de Refuge van Goriz reeds liggen. We mogen nog over een snelstromende beek springen (iemand is er bezig een bad te nemen brrr) en we zijn ter plaatse (2167 m). We waren 10 uur onderweg. Ik heb overal pijn en mijn schoenen en kousen zijn doorweekt. Enkele Estrella Damm’s  (Spaans bier) verzacht het leed. De refuge zit afgeladen vol, maar een geluk dat we gereserveerd hebben. We krijgen de sleutel van het kastje waar we onze spullen mogen opbergen en zoeken ons bed. Het ligt natuurlijk boven en we kunnen het bereiken via een kippenladdertje .
Om 8 uur pas kunnen we eten. Soep, sla, kippenbil, flan.
We vragen wat inlichtingen voor de volgende etappes maar steeds komt het woord “sneeuw” er aan te pas. Ik kan voorlopig geen sneeuw meer zien en we besluiten het verder verloop van onze tocht aan te passen. Door de Ordesavallei zullen we afzakken naar Torla, vandaar wandelen we naar San Nicolas de Bujaruelo en van daaruit maken we de verbinding met Gavarnie. Dit traject deden we vorig jaar ook maar nu kunnen we dit op het gemak doen.

Woensdag 16 juli: Refuge de Goriz -- Torla
We ontbijten pas om 7.30. Ik heb slecht geslapen, ik heb een waslijst pijnlijke plekjes, de stemming is in mineur.
We volgen de GR11 richting vallei. In de afdaling ben ik nog altijd mijn zelfzekerheid kwijt zodat Jépé regelmatig op me moet wachten. De zichten op de Ordesakloof maken echter veel goed. De, met kettingen, beveiligde afdaling naar de ‘Cola de Caballo’-waterval in de ‘Cirque de Soaso’ (1760 m) laten we voor de liefhebbers. Na de veel langere bochtige afdaling door los gesteente komen we op het toeristenpad. Nu zijn er geen problemen meer te verwachten zodat we onze wandelstokken kunnen opbergen. In gezapig tempo, nu en dan genietend van het zicht op een waterval zakken we verder af. Een horde toeristen komt ons tegemoet. Op de parking van het park drinken we iets waarna we de bus nemen naar Torla (1033 m).
Torla is de toegangspoort naar de Ordesavallei en het is er behoorlijk druk. Buiten de stad ligt een grote randparking vanwaar om de 15 minuten een bus richting Ordesavallei vertrekt. Alhoewel er een zeer ruim aanbod is van hotels, pensions, bars, restaurants en winkeltjes heeft het stadje gelukkig zijn charmes behouden. We gaan de eerste de beste gîte  binnen: Albergue l’Atalaya. Er zijn nog juist 2 plaatsen, we kunnen onze rugzakken in de binnenkoer laten staan want na 13 uur is het siesta tot 17u.
We eten eerst een bocado in een van de talrijke tapaz-bar, brengen ons vochtgehalte even op peil en gaan dan het stadje verkennen. De smalle, hellende, met kasseien bedekte straatjes; de natuurstenen huizen met grote boogramen hebben hier en daar nog hun originele stenen dakbedekking (geen pannen, geen leien maar stenen platen), de arcaden, de kleine bebloemde binnenplaatsjes, de San Salvadorkerk (15de eeuw); het is heerlijk slenteren in Torla.
Op een terras kunnen we uitgebreid genieten van het prachtig zicht op de omgeving.
In de gîte  plaatsen we onze spullen binnen en mogen we eindelijk douchen en onze sokken uitwassen. Het geurtje dat daar vanaf komt, onbeschrijflijk. Het avondmaal is pas om 19.30, dus moeten we terug de straat op. We kopen een telefoonkaart in een winkel met opschrift: “On parle Français”; dit is echter wishfull thinking want ik denk dat hij maar enkele woorden kent. Hij legt uit dat we eerst een nummer moeten bellen en dan een code moeten invoeren waarna we het bestemmingsnummer moeten invoeren. Ja, mijn gat, … we proberen meerdere keren maar de kaart weigert dienst.
Terug naar de winkel. We komen de eigenaar tegen, willen het uitleggen maar hij heeft geen tijd; hij gaat een koffietje drinken. In de winkel spreekt de bediende enkel Spaans, dat zal leuk worden. Als we onze stem een beetje verheffen en ons geld terug eisen doet ze het zowat in haar broek. Eindelijk is de eigenaar terug; hij probeert ons duidelijk te maken dat de schuld bij ons ligt maar als we hem uitdagen om zelf te bellen moet hij toegeven dat we gelijk hebben. We krijgen uiteindelijk ons geld terug.
In de binnenplaats nemen we eerst nog op ons gemak een aperitiefke. We  knopen een gesprek aan met enkele Vlamingen waarvan er eentje werkt in Langemark. Wat kan de wereld klein zijn.
Het is etenstijd. We eten in de bar van de gîte. Het is kunstzinnig ingericht door de Franse eigenaar. We eten eerst soep met aardappelen en snijbonen en krijgen dan een bord carbonaden met één dikke patat. Het valt wat magertjes uit maar het is toch lekker.

Donderdag 17 juli: Torla -- San Nicolas de Bujaruelo

Vandaag is een overgangsdag, zeg maar rustdag. We dalen een met keien belegd pad af naar de Rio Ara. Over het brugje vinden we de tekens van de GR15-2. Zachtjes stijgend door een groene tunnel volgen we een pad langsheen de rivier. Een brug stuurt ons over de rivier, we stappen over op de GR11 richting San Nicolas de Bujaruelo.. Onder de Puente de los Navarros (brug aan de ingang van de Ordesavallei) moeten we eventjes de weg naar Torla volgen om vervolgens  een pad te nemen dat ons vlug omhoog leidt richting Collado del Cebollar. Op een plateautje met zicht op de vallei verlaten we het pad naar de col om af te dalen naar de Puente de Santa Elena. Onderweg hebben we enkele moeilijke passages maar ze zijn beveiligd met een stalen kabel. Het lawaai dat we al een hele tijd hoorden blijkt de kettingzagen te zijn van een ploeg arbeiders die het struikgewas onder een hoogspanningslijn drastisch verwijderen. We steken de weg naar Bujaruelo over en wandelen het bos in. Een metalen brugje laat ons toe om de rivier over te steken naar een camping waar we wat drinken. Het is reeds middag. We steken opnieuw het brugje over en moeten nog 6 km tot San Nicolas. Over de middeleeuwse boogbrug komen we bij de camping annex refuge. De parking is afgeladen vol en er staan meerdere Belgische wagens bij. Onze rugzak blijft op het terras waar we eveneens de schoenen en sokken in de zon plaatsen om te drogen. In de bar drinken we enkele biertjes onder het nuttigen van een boccado met ansjovis en groene pepers. De prijzen zijn in vergelijking met vorig jaar nagenoeg verdubbeld. We hebben gereserveerd vanuit Torla maar kunnen enkel registreren vanaf 17h. We plaatsen ons op het terras en observeren het komen en gaan van de trekkers en de toeristen. Een Nederlands koppel vervoegt ons; ze komen uit Lutjebroek. “Je weet wel” zeggen ze “van het liedje”. Nooit van gehoord maar we zeggen van wel, kwestie van hen een pleziertje te doen.
Om 17 h stellen we ons op in de rij voor de registratie en krijgen, tot onze vreugde,  een tweepersoonskamer toegewezen. Het was wel te mooi om waar te zijn want we zijn ons nog aan het installeren of de bediende komt zich uitvoerig excuseren want er was een klein foutje gebeurd. Willen we a.u.b. verhuizen naar een andere kamer. Geen probleem. Jammer genoeg was dit wel een kamer van acht. Een uitvoerige douche later begeven we ons opnieuw naar buiten. De bediende dankt ons nogmaals voor onze welwillendheid en vraagt of ze ons plezier kan doen met een half–liter-pintje. Wat een vraag.
We bekijken nogmaals de kaart voor de laatste etappe en besluiten, gezien het mooie weer om naar Gavarnie te wandelen via de Puerto de Bernatuara. Een  col waarlangs we vorig jaar naar Spanje waren overgestoken in de dichte mist.
Nu nog reserveren in de Refuge des Granges de Holle. De bediende zoekt het nummer op en reserveert per satelliettelefoon. Joepie, er is nog plaats. “Wil je wat folders van de refugio meenemen naar Holle”. Geen probleem en het telefoontje is op kosten van het huis.
Om 19.30 avondmaal: sla, aardappelen met ribbetjes (deze waren loodrecht op de ribben gesneden zodat we eigenlijk een koteletje hadden met meerdere beenschijfjes), platte kaas met bessen

Vrijdag 18 juli: Bujaruelo – Gavarnie

We beginnen onze klim naar de Puerto de Bernatuara (2336 m). Onze Puerto staat nergens aangegeven wel de Puerto de Boucharo. We weten echter dat dit pad afsplitst van het onze. We klimmen nu tussen dicht struikgewas en bomen steil omhoog regelmatig over rotsen. Het pad kronkelt naar boven. Geleidelijk werd het struikgewas opener en komen we in grasland terecht. Geen koetje te bespeuren. We steken de Barranco de Lapazosa over. Door een stuk loofbos komen we op een hellende grasvlakte uit nabij een herdershutje. Boven aan de vlakte loopt het pad op enige hoogte de Sandaruelovallei in. We moeten meerdere keren kleine beekjes oversteken. Het wandelpad gaat over in een wirwar van koeienpaadjes, heel verwarrend. Hier en daar staan er steenmannetjes, maar ook gele op de rots geschilderde pijlen. Sterk kronkelend klimmen we traag verder omhoog. Op de col moeten we eventjes zakken en voor ons zien we het Ibon de Bernatuara. Dit uitzonderlijk bergmeertje is van vulkanische oorsprong en ligt helemaal ingesloten pal op de kam. Geen enkel beekje stroomt in of uit het meertje en toch krioelt het water van de kleine visjes. We rusten even uit om vervolgens uit de krater te stijgen. We steken de grens over en zijn dus op Col de la Bernatoire (2336m). We  dalen de Vallée de la Canau in. Dit is een zijvallei van de tien kilometer lange Vallée d’Ossoue die van de Vignemale tot aan Gavarnie loopt.
In het verleden was de vallei van Canau niet zo vredig; het is meerdere malen een bron geweest van conflicten tussen Spanjaarden en Fransen. Sinds de middeleeuwen behoort het gebied tussen de grenskam en de Gave d’Ossoue aan de Spaanse gemeente Broto met dien verstande dat de Franse herders van de Vallei van Barèges er hun vee mochten laten grazen. Dit leidde tot menig conflict waaraan pas een einde kwam door een verdrag in 1862. Dit verdrag bepaalde dat de vallei het eigendom was van zowel Barèges als van Broto. Elk jaar arriveren op 24 juli de Spaanse koeien op de Col de Bernatoire (de Transhumance: het verplaatsen van het vee naar hoger gelegen weiden) en mogen ze van dan af  grazen op Franse bodem. Het arriveren van de koeien op de col gaat gepaard met een ceremonie nabij de Cabane de Lourdes.
De geschiedenis van de transhumance waarbij nog altijd afspraken uit de middeleeuwen worden gerespecteerd heeft er toe bijgedragen dat het gebied Gavarnie-Ordesa door de Unesco als cultuurerfgoed op de werelderfgoedlijst werd geplaatst..
De afdaling verliep niet al te steil en zonder haarspeldbochten. Beneden, nabij de Cabane de Lourdes (1947 m) vervoegen we de GR10; vanaf nu kunnen we weer de bekend rood-wit tekentjes volgen.
We vervolgen onze weg nagenoeg horizontaal zo’n 300 m boven de Ossoue-vallei. Voorbij de Cabane de Sausse-Dessus (1900 m)steken we het gelijknamig  beekje over en laten er enkele vrouwen, die zich aan het wassen zijn, flink opschrikken. Ons pad daalt steil tussen de rotsen af om voorbij de ruïne van de Cabane de Toussaous (1827 m)in de weiden te belanden. De koeien zijn niet in ons geïnteresseerd. Over koeienpaadjes dalen we voorzichtig af naar de weg Gavarnie-Port de Boucharo (1700 m). Een bijzonder steil pad met veel steengruis laat ons toe een haarspeldbocht af te snijden en zo bereiken we de ‘Refuge des Granges de Holle’ (1480 m).
We schrijven ons in, mogen onze rugzak eens in een tweepersoonskamer achter laten en installeren ons vervolgens in de schaduw op het terras. We kunnen pas douchen vanaf 16h en als we beseffen dat het reeds zo laat is staan we natuurlijk in de file want er zijn maar 3 douches.
’s Avonds rijgen we uiensoep gevolgd door lekkere couscous en platte kaas met bessen. We eten in het gezelschap van twee Zweden.
We sluiten ons laatste avondmaal af met enkele, door de eigenaar zelf gemaakte, génépy’s.
Tussen juli en september gaat hij de sterk geurende witte of gele génépy bloempjes (Artemisia mutillana) plukken die hij vervolgens laat drogen. De gedroogde bloempjes stopt hij in een fles waarna hij er alcohol over giet.. Dit moet vervolgens  een paar weken trekken en krijgt de vloeistof een felgroene kleur.  Suiker en water toevoegen, enkele maanden laten trekken en filteren. Het resultaat is een lichtgroen geurend drankje met een alcoholgehalte van ongeveer 35%. LEKKER !!!

 

Zaterdag 19 juli: Terugreis

We slapen wat langer uit, ontbijten, rekenen af, hijsen een laatste maal de rugzak op onze schouders en we vertrekken richting Gavarnie.
Een kleine 20 minuutjes later staan we in het dorp. We stappen naar de gîte ‘La Gypaete’ en mogen er onze rugzak achter laten. Bij de toeristische dienst zien we dat er bus naar Lourdes is om 12.50. Dit geeft ons ruimschoots de tijd om Gavarnie te verkennen.
Het dorp zelf stelt niet zoveel voor: één straat met het Huis van het park, een opeenvolging van restaurants en winkeltjes en de paardenmanège. Toeristen die de klim tot de Cirque niet zelf wensen te maken huren hier een paard of een ezel en laten zich ter plaatse brengen. Gedurende de wandeling moet je dus heel goed opletten waar je je voeten zet. Een uurtje verder en 300 m hoger staan we bij het ‘Hotel du Cirque’. Het terras is een welgekomen eindpunt voor de horden toeristen die al of niet te voet tot hier gekomen zijn. De paarden mogen niet verder maar de wandelaars kunnen nog eventjes verder tot in de Cirque aan de voet van de ‘Grande Cascade’. Indrukwekkend. We zakken terug af en eten een omeletje op een terras. We slenteren naar de bushalte en merken dat de bus van 12.50 vanaf Luz vertrekt en dat onze bus eigenlijk reeds om 10 u vertrokken is. De volgende is pas om 18.30. Geen nood, we gaan wel in Lourdes geraken. We halen onze rugzak op en plaatsen ons in de schaduw aan de rand van de weg; duim omhoog. Een uur later staan we er nog. Niet wanhopen, een mobilhome stopt en we zijn onderweg. De bestuurder zet ons netjes af voor het station. Het is 15u, onze trein is pas om 22.20. We steken het stationsplein over naar het terras van het hotel-brasserie bestellen een pintje en vragen of we onze rugzakken mogen plaatsen tot de avond. Geen probleem, vriendelijke mens. Aan het station is het een komen en gaan van gehaaste mensen. Een vloot taxi’s rijdt af en aan. Wat een drukte. De hotelier zegt, niet zonder trots, dat jaarlijks ongeveer 5 000 000 bedevaarders Lourdes bezoeken. Waar berg je al deze mensen op? Hij vertelt ons dat Lourdes 300 hotels telt en daarmee na Parijs de Franse stad is met het meeste aantal hotels.
Lourdes is natuurlijk wereldberoemd voor zijn Mariaverering. Reeds 150 jaar stromen hier mensen van over de gehele wereld toe in de hoop op een mirakel. Zelfs de paus komt hier in september op bezoek om het jubileum te helpen vieren.
Die beroemde grot moeten we toch eens gaan bekijken. We zakken af naar het centrum en even voorbij de dienst voor toerisme volgen we de bordjes “Grotte”. Zelfs zonder deze bordjes kunnen we niet verdwalen want iedereen gaat blijkbaar naar dezelfde plaats.
Souvenirwinkels, brasseries, kaarsenwinkels, ijskreembars, restaurants, … kunnen hen nog niet bekoren want eerst moeten ze naar het heiligdom. Bussen boren zich tussen de massa door, genootschappen met de vlag voorop, beladen met enorme kaarsen en plastieken jerrycans marcheren gejaagd voorbij, karavanen rolstoelen begeleid door verplegers slalommen door de menigte. Wij zijn hier de enige lanterfanters.
Eenmaal op het terrein wordt onze aandacht onmiddellijk getrokken door enorme offerblokken van een goeie 1,50mx1mx0,5m; de gleuf is groot genoeg om er een briefje van € 500 in de breedte te ontvangen. Allemaal giften voor de paus.
Zo’n drukte. We gaan ons met meer wereldse zaken bezig houden: een Belgisch pintje drinken om te beginnen en een Chinees restaurant zoeken om de innerlijke mens te versterken. Een pintje vinden lukt ons aardig; een Chinees opsnorren duurt wat langer. Eindelijk vinden we een restaurantje “Xiang” in een afgelegen rustig zijstraatje. Open vanaf 18h. Perfect.
Ons verlangen naar een lekkere Chinese maaltijd komt nog uit ook. Een wonder. We hebben wel twee salades besteld maar de ene is koud en de andere warm. Je mag in Lourdes toch niet te veel verwachten. We gaan nogmaals spitsroeden lopen en stellen vast dat het nog hectischer geworden is. Deze maal is iedereen gewapend met een kaars in een kartonnen potje.
We wandelen wat rond op het terrein en vergapen ons aan de menigte die van alle kanten toestroomt. Wonderbaarlijk. Wat kan ‘geloof’ en ‘hoop’ toch een krachtige stimulans zijn voor velen.
We hebben genoeg gezien.
Om 21.30 zitten we terug op het rustig terrasje voor het station en om 22h gaan we het station binnen. Om 22.20 u liggen we al te snurken.

Zondag 20 juli

Om 7.10 staan we in Paris-Austerlitz. Pas om 8.58 vertrekt de TGV naar Lille-flandre en daar mogen we nog een sprintje trekken. Onze wagon is de laatste van een heel lange trein en we hebben 8 minuten om te veranderen van perron.
Om 10.51 u zitten we op de trein naar Ieper en om 11.21 zijn we terug thuis.